RIJMBIJBEL.

ZACHARIAS.

LUK. I. v. 5 — 23.

I.

Daar leefde een telg uit Levi’s stam,
Die Zacharias was geheeten,
Een deugdzaam man van rein geweten,
Een waardig zoon van Abraham;
En die geheel zijn levenstijd
Getrouw den Heer had toegewijd.

Twee wenschen heeft zijn edel hart,
Sinds ’t rijpen van zijn levensdagen,
In: stillen ootmoed omgedragen, .
Zijn hoop in vreugd, zijn troost in smart;
Zoo die de goede God vervult,
Is heel zijn pad in licht gehuld.

Beloofde niet zoo menig tolk
Des Allerhoogsten, lang geleden,
Dat daar een Heiland op zou treden,
Een Redder van ’t verloren volk;
Uit Davids stam een frissche loot,
Een Koning; boven allen groot?

Dien vliegt zijn uitzicht in ’t gemoet;
Dat ras de Heer diens komst verkonde,
Helaas! nu dienstbaarheid en zonde
Des Heeren volk verkwijnen doet! .
„O” bidt hij „mocht mij ’t heil geschiên,
„Dien dag met eigen oog te zien.

„Maar zou de glans van ’s Heilands rijk
Geen erfzaat van mijn huis beschijnen?
„Of zou mijn naam en stam verdwenen,
„Het stof des wandelpads gelijk?
„Neen, dat me een lieve zoon verkwikk’
„Op wien ik stervend nederblikk’!”

De jaren vliegen om altoos;
Zijn arm verzwakt; zijn kruin wordt grauwer,
Zijn hoop met ieder morgen flauwer;
Elizabeth blijft kinderloos.
Maar ’t zij dat zijn geslacht verga —
Onwrikbaar toch blijft Gods gena.

II.

O, Zie hem thans in ’t heiligdom,
het priesterkleed om ’t lijf geslagen
Het wierookvat voor ’t outer dragen,
e:n keeren ’t over ’t outer om.

Veel hooger dan de wierook stijgt
Zijn beê: „Vervul uw woord in ’t ende.
„Gedenk, o Heer’ uws volks ellende ,
„En hoe ’t zijn Redder tegenhijgt.”

En eensklaps, daar hij eenzaam bidt.
Daar treft een zacht geruisch zijn ooren
En in den geurwalm ziet bij gloren ,
Eens Engels schittrend zilverwit.

Wel was des priesters vreeze groot;
Maar de Engel sprak: „Wat zoudt gij vreezen?
„Elizabeth zal moeder wezen;
„Gij zult een zoon zien vóór uw dood.

„Die zoon zal vóór den Heiland gaan,
„Van Hem getuigen, roepen, leeren,
„En aller voet te Hemwaart keeren
„Met kracht van boven aangedaan.”

Dit treft den ouden man te zeer;
Zoo de Engel ’s Heilands komst verkondde
Het was genoeg te dezen stonde.
Genoeg tot ’s Heeren eeuwige eer;

Maar dat hem ook een Zoon gewordt!…
Hij durft zoo stout een hoop niet wagen,
En staat in twijfling en verslagen;
Is niet eens grijsaards kracht verdord?

Daar spreekt des Heeren knecht tot hem:
„Ik sta voor Godes aangezichte;
„Bij sprak het woord dat ik berichtte:
„En twijfelt gij aan ’s Heeren stem?

„Zoo hoor hoe gij gelooven zult:
„Daar ga, van dezen stonde,
„Geen woord uit uwen monde,
„Tot alles zij vervuld.”

III.

Het volk, dat buitenstaat
En naar den Tempel ziet,
Vraagt met een bang gelaat:
„Wat of den Priester zij geschied?”

Daar staat hij voor hun oog,
Ten voorhove ingegaan,
En ziet hen ernstig aan;
Maar slechts zijn hand bewoog.

Zijn mond bleef stom en dicht;
Maar wie hem gadeslaat,
Ziet, op zijn vroom gelaat,
Den weerschijn van het godsgezicht.

En spraakloos keert hij weer,
En wacht met kalm geduld,
Geloovig in den Heer,
Tot alles zij vervuld.

Zijn hope wrikt noch wankt;
’t Zij als Jehova wil!
De mond blijft stom en stil;
De ziele juicht en dankt.


Ingezonden op: 19 July 2001