XII.

HET ANKER UITGEBRACHT.

„Gij brengt uw anker uit, rechtschapen varensgasten!
„Gelukkig die een anker heeft!
„Een anker, dat hem niet begeeft,
„Al steken stormen op, al kraken steng en masten!

„Wat zal uw anker zijn op d’ oceaan van ’t leven?
„Uw anker, in den bangsten nood?
„Uw anker, Broeders! in den dood?
„Plechtanker, dat u rest, als de andere u begeven?

Die Heiland moge ’t zijn, u door mijn mond verkondigd;
„Onmisbre Heiland! Denkt er aan:
„Wij moeten, zonder Hem, vergaan.
„Maar Hij wil ’t Anker zijn, al is er veel gezondigd.”

Zoo sprak op ’t Visschersdorp een Herder tot zijn kudde;
En menigeen, in later stond,
Herdacht de woorden van zijn mond :
De schoone badgast ook, die eerst haar hoofdje schudde.


Ingezonden op: 19 July 2001