VI.

HET BESLISSEND OOGENBLIK.

Dat zal ik van mijn leven niet,
Mijn leven.niet vergeten,
Hoe aardig jij dien morgen, Griet!
In ’t venster waart gezeten.
Ik weet niet of je ’t ook nog weet,
En of je er iets van merkte,
Maar Julfert Joosten kreeg het beet,
En voelde dat het werkte.

Je praatte, ja! van wie weet wat?
Ik heb niet veel geluisterd;
Maar op het bankje daar ik zat,
Zat Ik voor goed gekluisterd.
Er was iets in je — maar misschien
Dat IK het mij verbeeldde —
Dat nooit te voren was gezien,
En mij geweldig streelde.

Je bekje kende ik door en door,
Van onze vroegste jaren,
Maar voelde er niets bijzonders voor,
Dat kan ik rond verklaren.
Je was niet mooier dan je plag
Niet heuscher dan voordezen…
Ik kan niet, zeggen wat ik zag,
Maar — ’t heeft zoo moeten wezen.

Jij snapte voort; maar ik begon
In stilte te overleggen.
Ik dacht meer dan ik zeggen kon
En dan ik DURFDE zeggen,
Maar eensklaps was je praatjen uit,
En mijn besluit genomen…
Je wou niet, zou niet, stelde me uit —
Maar — ’t is er toe gekomen.

Dat zal ik van mijn leven niet,
Mijn leven niet vergeten,
Hoe aardig jij dien morgen, Griet!
In ’t venster waart gezeten.
’t Is zeker van den Heer geweest,
Want ’t bracht ons niets dan zegen:
En, als het opkomt in mijn geest,
Dan dank ik HEM terdegen.


Ingezonden op: 19 July 2001