III.

HET BREISTERTJE.

Mooi Kniertje staat van dag tot dag. .
En breit voor haar deur een kwartiertje :
„Voor wien dat paar kousen wel wezen mag,
„Mijn allerliefste Kniertje?”

„Voor wien dat paar kousen wel mag zijn
„Voor moertjen of voor vaartje?”
Zucht dag op dag die bleeke Krijn,
„Of zijn ze voor Grietjen of Saartje?”

„ „Wel Krijnbuur! wist je dat zoo graag?
„ „U wil ik het niet verzwijgen.
„ „Je bent niet voor niet zoo jentig van daag,
„ „Om alles uit me te krijgen.

„ „Beloof maar dat je ’t niemand zegt” ”
Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter;
„ „De wereld is tegenwoordig zoo slecht;
„ „Ze zocht er zeker wat achter.

„ „Die kousen zijn voor me moertje niet,
„ „Ze passen niet voor me vaartje:
„ „Ze zijn ook niet voor zuster Margriet,
„ „Nog minder voor ’t kleine Saartje.

„ „Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui,
„ „Hoe hoog of laag ze sprongen;
„ „Ze zijn niet voor een oude kneu,
„ „En niet voor een laffen jongen.

„ „Ze zijn — ze zijn — ze zijn — ze zijn —
„ „Je zult het maar raden moeten!
„ „Die kousjes zoo witjes, zoo netjes, zoo fijn,
„ „Ze zijn — voor twee bloote voeten.” ”

Voor zang en piano op muziek gesteld door W. Hutschenruyter,
(De Salon, Nº. 11. Rotterdam.)

Ingezonden op: 19 July 2001