IV.

HARMENS UITREIS.

Nog wuift ie met zen mutsje, Jan!
NoG wuift ie met zen mutsje,
En klikt zoo lang ie kijken kan
Naar niemand als je zusje.
Dag HarMen! Jongen, hou je goed!
Ik zal het ook doen, Harmen!
Ik zal niet, als een weeke bloed,
Gaan krijten en gaan kermen.

t Is zomerdag; de nachten kort;
De buien van s gelijken ;
Maar strakjes, als het najaar wordt,
Dan komt wat anders kijken.
Dag Harmen! Jongen, hou je goed!
Ik zal het ook probeeren.
God is almachtig, God is goed
Hij zorgt bij alle weren.

Met Paschen spreek je Vader aan,
En waagt een woord van trouwen :
Het zal misschien zoo grif niet gaan.
Maar wel met vol te houen.
Dag Harmen! Jongen, hou je goed!
Ik zal je helpen Vartje!
Eer Mei In t land is (schep maar moed!)
Zijn wij een vroolijk paartje.

Nog wuift ie met zen mutsje, Jan;
Nog wuift ie met zen mutsje.
En kijkt, zoo lang ie kijken kan,
Naar niemand als je zusje
En op dat zeiltje turen wij,
En dag en uur vergeet ik
Kom jongen! geef me een zoen, want jij
Houdt ook van hem, dat weet ik.


Ingezonden op: 19 July 2001