IX.

LANGS MOEDERS GRAF.

(VERHAAL VAN KRELIS.)

’t Was de eerste thuiskomt na haar sterven;
Wij haalden hem van boord.
Hij pakte en kuste ons honderd werven,
Maar sprak geen enkel woord.
Een tijd lang stond hij in gedachten
En zag ons zwijgend aan ;
Op eenmaal. kreeg hij moed en krachten,
En zeide „ „Laat ons gaan!” ”
Het kleine Stijntje werd gedragen,
Ik bij de hand gevat;
Op eens de Kerkstraat ingeslagen,
In plaats van ’t Achterpad,
Verwondring heb ik niet doen blijken ;
Benepen zweeg ik stil,
En had het hart niet op te kijken,
Al had ik ook den wil.

Maar toen wij langs het kerkhof togen,
Zijn hand de mijne neep,
Zag ik hem aan met vochtige oogen,
Ten blijk dat ik ’t begreep.
„ „Had ik dien blik maar niet geslagen!” ”
Herhaal ik duizend keer,
’t Gelaat. dat toen mijn oogen zagen,
Vergeet ik nimmermeer.”


Ingezonden op: 19 July 2001