XIII.

PLEUNTJE.

„Kom Pleuntje, ga naar huis!
„Gij kunt toch hier niet blijven.
„De regenbuien drijven
„Een ieder naar zijn kluis.
„De duisternis valt neer;
„Gij hebt al zooveel uren
„Vergeefs in zee staan turen;
„En morgen weet gij meer.”

Helaas! Zij wisten ’t al;
Zij hadden ’t reeds vernomen;
Eén pink was weergekomen,
Die kond gaf van ’t geval.
zij hadden ’t reeds verstaan:
„Het scheepje „GOD ZAL ZORGEN.”
„Is, voor ons oog, vanmorgen
„Met man en muis vergaan.”

Maar Pleuntje stond versteend;
Zij kon van ’t strand niet scheiden ;
Wat ook de buren zeiden,
Hoe goed en welgemeend.
’t Was of zij ’t ook al wist;
Of ze aan haar hart kon voelen:
„Gij zult hem aan zien spoelen,
„Zien liggen in zijn kist.”

„Kom Pleuntje, wees nu wijs!
„Wees nu verstandig, vrouwtje!.
„Het wordt te laat v:oor Woudje;
„Te koud voor kleinen Gijs.
„De kindren”… En meteen
Ontwaakte ze uit haar droomen,
En heeft hen opgenomen;
En langzaam sloop zij heen.

Men zag haar na met smart.
Dees schudde ’t hoofd bewogen ;
Die veegde een traan uit de oogen:
Wat zee bouwt heeft een hart.
Och arme hals!” zei Krijn~
„Och arme ziel!” zei Steven,
„Wat zou een mensch niet geven„
„Dat dat niet waar mocht zijn!

Haar volgden uit den drom,
Om haar in ’t oog te houen.
Van verre een tweetal vrouwen;
Nog eenmaal keek zij om.
Toen hielden zij zich goed,
En spraken luid, en keken
Naar Pleuntje niet, en weken
Terug op vluggen voet.

En Pleuntje raakt uit zicht
Zij is met loome schreden
Haar woning ingetreden.
En sluit de voordeur dicht.
Daar zit zij ; — Gijs op schoot;
Het lieve Woudje er neven; —
Een standbeeld zonder leven.
Bleek als de bleeke dood.

De kindren kijken strak
En somber voor zich henen;
En Woudje wou wel weenen,
Maar meest dat moeder sprak
Op eens een bittre schreeuw,
Nooit dus gehoord voor dezen:
„Och kindren, gij — zijt weezen,
„En ik een arme weeuw!”

Des morgens treedt al vroeg
De jonge leeraar binnen,
Die zachtjes wil beginnen…
Maar ’t komen was genoeg!
„Och lieve Dominé
„Ik hoef het niet te hooren…
„Ik heb mijn man verloren…
„Gedenk mij in uw beê!”

Bij ’t deinzen van den nacht
Was ’t lijk reeds aangekomen;
Nu werd het opgenomen
En Pleuntje thuisgebracht.
Maar ook een losse plank
Spoelde aan, dien zelfden morgen.
Daarop stond: GOD ZAL ZORGEN
En dat was waar, God dank!


Ingezonden op: 19 July 2001