ADA.

Uw lok is zwart, zwart zijn uw wenkbrauwbogen,
Maar uw gelaat en voorhoofd lelieblank;
Uw pinkers zwart, maar teeder blauw uw oogen,
En zacht van gloed het blosje op uw wang ;
Een zwarter oog voegde aan die zwarte lokken,
Een donkrer tint aan blosjes en gelaat.
Of t lelieblank, van rozerood doortrokken,
En t blauwend oog een blonder hoofdsieraad.
Maar neen! in u moest al het schoon zich paren,
Pat ooit natuur in blond vertoonde en zwart,
Uw schoonheid moest geheel uw zeldzaam hart,
Uw hart geheel uw zeldzaam schoon verklaren.

Want in dat zwart van lok en wenkbrauwbogen
Spreekt heel de kracht van uw standvaste ziel,
De fiere moed die u ten deele viel;
En in het blauw van die zoo hemelsche oogen
De zachtheid van dat liefderijk gemoed.
Dat nooit door drift of hartstocht wordt bewogen,
Maar alles warmt en koestert in zijn gloed.
Dat dubbel schoon is dubbel van vermogen;
Het bruine toch stort hulde en eerbied in.
En t blonde teederheid en o vergeef het Min.


Ingezonden op: 19 July 2001