BIJ DEN DOOD

VAN

VROUWE KATHARINA WILHELMINA BILDERDIJK,
geb. SCHWEICKHARDT.

† 10 April 1830.

Treurt, Negen Zustren, treurt! Treurt Heliconiaden !
Stelt op een sombren toon het nokkend lijklied in,
Trekt uit het starrenkleed, rukt af de feestsieraden !
Gij telt een priesteres te min.

Treur, Maagd van Neerland, treur en doe uw tranen vloeien!
Zet af, zet af de kroon, die om uw lokken sluit!
Met tranen moet gij haar besproeien;
Een schoone parel viel er uit.

En gij, mijn Sparengod, meng tranen met uw wateren;
Verberg in damp en mist ’t met riet gekroonde hoofd!|
 Verbied, langs Haarlems wal, uw golven ’t vroolijk klateren;|
Zij is van ’t schoonst sieraad beroofd.

Ach, Neerlands Sapho! moest ge uw laatsten adem geven?
Verstomde uw zilvren stem, uw zacht en troostrijk lied?
Wie doet een toon als d’ uwe’ in Nederland herleven?
Uw wederga bezit het niet.

Had, wreede Dood! dezxe aard geen andere offers over,
Veelmeer den nekslag van uw gruwbaar zeisen waard?
Waarom, koelbloedig menschenroover,
Verdienste niet gespaard?

Zoo moet dan ramp bij ramp zich op uw hoofd vergaren,
Homeer van Nederland, verzonken in ’t verdriet!
Neen! ’t Noodlot spaart uw grijze haren,
Uw groenbekransten schedel niet.

Het rukte u, keer op keer, een dierbaar kroost van ’t harte;
Nog slechts een enkle telg verheugt uw ouderdom;
Uw gade bleef uw troost, verzachtende al uw smarte:
De hemel eischt dien schat weerom.

Wat vraagt men dan, waarom zoo dof uw snaren klinken,
Waarom zoo’n sombre toon van uit een speeltuig klimt,
Dat steeds de tranen heeft te drinken,
Waarvan uw oog bestendig glimt?

Ook wij beween en haar… Wat zeg ik ? Haar beweenen,
Die met het englenkoor de gouden citer slaat,
Van heldren hemelglans omschenen,
In hagelblank gewaad ?

Neen! wij beween en ons, ons smartelijk verliezen,
O Dichteres, te vroeg aan ons, aan de aarde ontrukt!
Nog ruischt uw zachte toon door Spaarnes grijze biezen,
En houdt ons hart verrukt.

Bewaar, o Nageslacht, den naklank van die tonen,
Zoo lieflijk voortgebracht uit godgewijde harp;
Hang aan haar grafcypres steeds versche lauwerkronen,
Strooi bloemen op haar terp!

Als gij, verrukt, gedenkt aan ’t roemrijk dichtrenwonder,
Die uw Alcéus was, Alcéus en Pindaar,
Hoor nooit naar ’t raatlen van zijn „donder”,
Of denk aan hare „Aeoolsche” snaar,


Ingezonden op: 19 July 2001