EER.

(NAAR BOILEAU.)

Der Waarheid trouw te zijn, als heilig boven allen;
Het Recht te eerbiedigen en ook de Reedlijkheid;
Alle andren zucht, alleen zichzelven hard te vallen,
Verzakende om den plicht wat eer- of baatzucht vleit;
Der maatschappij te zijn wat wij haar wezen mogen;
Te doen waartoe ons God de hand en t hoofd bekwaamt;
Goed en rechtvaardig zijn, door lief noch leed bewogen:
Ziedaar waarachtige Eer, en die den Man betaamt.


Ingezonden op: 19 July 2001