LIZETTE.

(NAAR THS HAYNES BAYLY.)

Ik zag hem nooit tevoren,
Had nooit aan hem gedacht,
Mijn Vader had hem, als zijn gast,
Bij ons aan huis gebracht.

Ik had hem zelfs niet éénmaal
Genegen aangeblikt :
Aan tafel zat hij nevens mij ;
Ik had het niet beschikt.

Maar bij zijn eerste spreken,
Hing reeds mijn hart aan hem;
Nooit had ik liever spraak gehoord,
Nooit aangenamer stem.

Als zich de dans bereidde,
Was ik zijn keuze weer;
Daar klonk op nieuw dat zacht geluid,
Zoo hartvervoerend teer!

Wat wist hij mij te zeggen ?
Ach waarom hem vertrouwd!
„Hij had nog nooit zoo ’n lief gelaat,
Zoo’n hemelsch oog aanschouwd!”

Waarom toch dus gesproken?
’k Werd ijdel op die eer;
En als de vleier mij verliet,
Hoe riep mijn hart hem weer!

’t Was vreemd; maar als ik uitging
Verveelde ik mij altijd;
Het beekje was zijn lieflijkheên.
Het dal zijn schoonheid kwijt.

’t Was vreemd; vermoeiend scheen mij
De kleinste wandeltocht !
Ik wenschte mij dien vriendlijke’ arm,
Waarop ik leunen mocht.

’k Wenschte iedereen afwezig,
En hem-alleen nabij?
Waarom bevroedde ik de oorzaak niet,
Noch wat er woelde in mij?

Vermeed ik ’t lieve plekje,
Bezocht door spel en vreugd,
En dwaalde ik om in eenzaamheid,
Zoo haatlijk voor de jeugd;

Doorstrengelde ik mijn lokken
Met zijn geliefd gebloemt,
Koos ik de kleur voor mijn gewaad,
Door zijnen mond geroemd;

Schikte ik, in alle dingen,
Mij naar zijn smaak en zin,
Schoon ’k nauwlijks aan hem denken dorst ;
Wat kon het zijn dan Min?

Wee mij! ik hield het harte
Der mannen niet zoo slecht!
Ik achtte elk lonkje welgemeend,
Elk streelend woordje oprecht.

Hij sprak van .eeuwge liefde”,
En ik geloofde dat.
Hoe kon ik denken dat hij reeds
Zoo vaak bedrogen had?

Nu ziet hij naar een ander,
En, even teer en zacht,
Bekoort hij haar met de eigen taal,
Die ik mijn voor-recht dacht.

Ach, waarom moest zij schoon zijn?
Ik wraak zijn keus niet; neen!
Noch twijfel of zij zwichten moet
Voor wat mijn oor zoo hemelzoet
En onweerstaanbaar scheen.


Ingezonden op: 19 July 2001