AAN DE STARREN.

Daar pronkt gij weer in tal en pracht,
Zoo rijk. zoo schoon als ooit,
Als stofgoud. dat de lieve Nacht
Zich op haar paden strooit;

Als pronkborduursel, schoon van glans,
Geweven door haar kleed,
Als lampen. die aan ’s hemels trans,
Haar wenk ontsteken deed.

Als; — maar laat af, gij pronkziek lied
Waartoe hier beelden? Neen!
De aard heeft ze voor den hemel niet,
De hemel hoeft er geen; —

Als Wondren, door de Macht gesticht,
Die ons alom omringt
En in uw lieflijk flonkerlicht,
Als macht der Liefde blinkt.

Weest, schoone wondren! weest gegroet
Gegroet, gij starrenschaar!
Hoe heerlijk is des hemels gloed,
Hoe helder, blauwen klaar !

Hoe goed is voor uw flikkrend licht,
Het oostewindje thans!
Het blaast geen wolkje u in ’t gezicht,
Geen walmpje voor uw glans.

En o! hoe vriendlijk, zacht, en blij
Blikt gij terneer op de aard,
En ziet van uit den hemel mij,
Die opzie hemelwaart!

Zoo velen sloten ’t venster dicht
En ’t lichtschuw bedgordijn,
En zagen nauw uw troostrijk licht,
Uw liefdevollen schijn.

Zoo velen sloten de oogen toe
En vlijden zich ter rust,
Van arbeid of van beuzlen moe,
Van kommer of van lust.

Maar ik, ik waak; ik waak als gij,
Verlichters van den nacht!
En mijmrend ziet ge, als dikmaals, mij
En duizlend bij uw pracht.

Ik staar uw wonder weemlen aan,
En denk aan Hem, wiens wil
U elken nacht weer op doet gaan
En wentlen om uw spil;

Die als de gouden zonnegloed
Hen op zijn wenk verliet,
U tot de menschen zeggen doet:
„In donker blijft gij niet.”

Die, als de slaap voor al wat leeft
Zijn dons en maankop strooit,
Door u, aan de aard te kennen geeft:
„Uw Schepper sluimert nooit.”

Dit lokt een stillen traan in ’t oog,
Dat naar zijn hemel ziet,
O, Dat hij meer hem zeggen moog,
Dan mijn onmachtig lied.


Ingezonden op: 19 July 2001