DE HARP.

(ROKEBIJ)

Van mijn eerste kinderdagen plooide een vreemde trek mijn geest;
k Ben als knaap altijd afkeerig van wat knapen streelt geweest;
In mijzelf gekeerd en zwijgend ging ik peinzende daarheen,
En beminde in eenzaam mijmren slechts mijn Harp, mijn Halrp-alleen,

Eerzucht blaakte t jeugdig hart mij, en mijn trots verachtte ras,
Eenzaam beekje, t needrig hutje, dat mijns vaders rijkdom was;
Zou de Faam er ooit van spreken? Neen, mijn ziel vloog hooger heen;
En wat deed me op hooger uitzien? Slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

Liefde blaakte sinds mijn boezem met haar onberaden gloed,
Bracht begeerte en woeste driften in mijn onbeproefd gemoed;
t Was de dochter van den Landheer, wie mijn speeltuig godlijk scheen;
En wat stijfde me in mijn hopen? Slechts mijn Halrp, mijn Harp-alleen.\

Oorlog kwam met ramp en jammer, en gebrek met wee en smart;
k Had een deel van t leed te lijden aar mijn Land de prooi van werd;
Wat kon nog mijn lot verzoeten, bleef me ook van mijne akkers geen,
Wierp men ook mijn huis ter aarde? Slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

k Zag den droom der eerzucht wijken, tk voelde s hongers scherpen beet,
En den giften pijl der liefde, die mijn boezem bloeden deed;
k Zag door allen mij verlaten, lust en rust en hoop verdween
Maar n troost toch bleef mijn harte: t was mijn Harpt mijn Harp-alleen.

Daarom wil ik over bergen en door dalen, waar k mij wend,
Trouwe Harp! u mededragen, tot mijn aardsche kommer endt!
Niemand zal mijn grafste naadren, dat hij me in den dood beween;
Maar gij zult een lijkzucht slaken, gij, mijn Harp, en gij-alleen!


Ingezonden op: 19 July 2001