DE KAVALIER.

(ROKEBY.)
Nog grauw was de scheemring, nog neevlig het zwerk,
Mijn lief steeg te paarde krijgsvaardig en sterk,
Langs velden en wegen, waar ít oproer zich tooní:
God hoede den dappre, die strijdt voor de Kroon!

Waar zijde hem dektet ít pantsier knelt hem daar;
Het staal van den helm drukt het goud van zijn haar;
Het zwaard aan zijn heupe blinkt edel en schoon:
God zeegne den dappre, die strijdt voor de Kroon!

ít Is voor ít recht van Oud-England, zoo strijdzucht hem blaakí
Haar Vorst is zijn leidsman, haar Kerk is zijn zaak;
Zijn wachtwoord is eert en beroemdheid zijn loon:
Strijí God met den dappre, die strijdt voor de Kroon!

Laat ze roemen hun Fairfax, hun Waller en al
ít Rondhoofdig gebroedsel van Westminster-hall;
Maar weet! al koos de opstand ít stout Londen ter woon:
De speren van ít Noorden omringen de Kroon.

Daar ís Cavíndisht en Derby, ontzaglijk altoos,
Daar ís Erins grijze Ormond en Schotlands Montrose.
Durft ge uw Skippon nog meten, uw Massey, uw Brown,
Met Oud-Englands Baronnen, geschaard om de Kroon?

O vreugde over ít hoofd van elk braaf Kavalier!
Zij zijn speer onweerstaanbaar, en sterk zijn pantsier!
Tot bij zege en in vreÍ hij zijns harten zucht toon
In een dronk op zoet England, haar Kerk en haar Kroon!


Ingezonden op: 19 July 2001