ELK ZIJN WIJS.

(MARMION.)
Een heimlijke aandrift, met het leven
Bij de eerste ontwikkling meegeven,
Deel van Onszelf, des onbewus
Beschikkende over zin en lust,
In heel ons wezen ingeweven;
Of mooglijk. als men t wel beziet,
Kracht van gewoonheid, anders niet,
Verknochtheid aan wat de oogen zagen,
In die indrukkelijke dagen,
Toen alles nieuw was, nieuw en schoon,
Voert levenslang in ons den toon,
En trekt, in spijt van beter weten,
Ons me aan haar onzichtbre keten.

Zoo dikwijls ik heb aangevangen
Onze ongekuischte volksgezangen,
Zoo heerlijk in mijn kinderoor,
Te doen herleven voor t gehoor,
Dan was t me als kwam bij de eerste tonen,
Mijn jonkheid zich op nieuw vertoonen;
Wat ik als kind gevoelde en dacht
Kwam weder in zijn oude kracht,
En, k voelde t met een nieuw genoegen,
Zich in mijn nieuwe verzen voegen.
Dan rees die rotst wier kale top
Een burg droeg, voor mijn oog weer op,
Zooals zij met een wondre weelde
Mijn jeugdige verbeelding streelde;
Het gansche landschap zag ik weer,
Waar zij de kroon van was en de eer,
En dat Ik nimmer zal vergeten.
Onvriendlijk schouwspel! Naakt en bar
Lag daar de steenhoopt maar van ver
Ontdekte t oogt in hoekje en spleten,
Een plekje van het lieflijkst groen.
Een gouden muurbloem, blijde en koen
Te voorschijn komende uit de reten,
Een plaatsje, daar het geitenblad,
De slingrende elf-rank vat op had.
De zon bescheent docht mij, niets schooners;
De menschheid bracht het nimmer tot
Iets prachtigers of ongewoners
Dan op dien top dat oude slot.
Nog heugt mij t ongehoord genot,
Dat heel mijn kinderziel doorstraalde,
Als de oude pachter mij verhaalde,
Met welk een stoutheid, welk een kracht
Een onverwinlijk voorgeslacht
Van uit dat roofnest nederdaalde,
Om ver en wijd des Zuidlings land
Te tuchtigen met moord en brand;
En hoe het, keerende in zijn hallen,
Het woeste zegelied deed schallen,
Den beker schuimen en heel t huis
Weergalmen van zijn wild gedruisch.
Mij docht, t geblaas op tromp en horen
Klonk mij van t slotplein nog in de ooren.
En voor t getralied venstergat
Meende ik de barsche wezenstrekken
Des helds, die overwonnen had.
En zijn verhit gelaat te ontdekken,
Maar s winteravonds aan den haard.
Was mij geen mindre vreugd bewaard.
Dan was t vertelling op vertelling
Van dappren ridder, schoone vrouw,
Getergde wraak, beproefde trouw,
Miskende deugd en eerherstelling;
Van menig, menig avontuur,
In kluisnaarshol of kloostermuur;
Maar ook van groote, dappre daden,
Door mannen, trouw aan eer en plicht,
Tot heil van t vaderland verricht,
En met zijn lof en dank beladen.
Dan Wallace! werd uw naam genoemd!
Bruce! op uw heldendeugd geroemd!
Dan hoorde ik keer op keer gewagen
Van menig held van later dagen,
Als van hun bergen wijd en zijd
De Clans vergaarden tot den strijd,
En, waar zij daalden in de velden,
Zoo menig, menig roode rok,
Hun fellen, lang verbeten wrok
En breeden claymore moest ontgelden.
Dan poogde ik, kruipende op den grond,
Het ernstig spel ook na te spelen,
En leger tegen leger stond
Slagvaardig op mijn krijgsbevelen:
Gelederen van kiezels dr,
En hier een bonte schelpenschaar;
En mits mijn hart het pleit besliste,
Begrijpt gij licht dat Schotlands vaan
Steeds roemrijk uit het veld mocht gaan
En Englands neerlaag zelden miste.


Ingezonden op: 19 July 2001