HET MEISJE VAN TORO.

Het zonlicht daalde op Toros meer
Met zwakker gloed en matter goud,
En t windje schudde zacht in t woud
De blaadren heen en weer.
Een meisje zat daar, overschoon,
Maar mat van oog en bleek van koon;
Helaas! aan t arme kind
Ontzonk de hoop, ontzonk de moed,
Zij paarde tranen aan den vloed
En zuchten aan den wind.

O Heilgen, die daar boven troont,
Van waar gij, goed en zacht van aard,
Tot zegen nederziet op de aardt
Eens door uzelv bewoond!
O lieve, zuivre Moedermaagd!
Tot wie geen droeve vruchtloos klaagt,
Aanschouw mijn smart, mijn angst:
Wend nood en dood van Walter af,
Of stort Lenore in t vroege graf,
Haar eenig-ste verlangst.

Al verder klonk het krijgsgedruisch,
Al zwakker werd de wapenklank
En aanvalskreet en zegezang
Versmolt in t windgeruisch:
Met ingehouden adem staart
De droeve bosch- en heuvelwaart,
En zucht en weent. O, schrik!
Een krijgsman naakt met tragen tred;
Ontsloten is zijn krijgshelmet,
En onheil spreekt zijn blik.

O redt schoon meisje! red u, spoed
U voort! reeds vlucht geheel ons heir,
En die u voormaals heeft behoed,
Die dappre leeft niet meer
O red u waarom nog gemard?
Een speerpunt trof uw Walters hart,
Ginds ligt hij dood en koud!
O red u haast u, schoone maagd!
Straks komt de vijand opgedaagd;
Reeds nadert hij door t woud.

En nauwlijks was des moeden stem
Tot t geven van t bericht in staat;
En zij, met doodszweet op t gelaat,
Maar nauwlijks hoort zij hem.
Ach! koud en machtloos zeeg zij ner;
En toen de zon voor Toros meer
Ook nederzeeg in t wachtend west,
Toen was t voor hem en haar voor t lest.


Ingezonden op: 19 July 2001