DE LAATSTE MEISTREEL.

(LAY OF THE LAST MINSTREL. INTRODUCTION).

De weg was lang, de wind was koud;
De meistreel was verzwakt en oud;
Zijn grijze kruin, zijn dor gelaat
Sprak van een eenmaal beter staat;
De harpt al wat hem overschoot,
Werd door een kleinen tochtgenoot,
Een knaapje, dat geen ouders had,
Hem nagedragen, waar hij trad.
Behalve hem, geen zanger meer
Voor ridderdeugd of heldeneer!
De tijd der barden was voorbijt
Al t zangrig volksken dood, en hij
Verdrukt, verwaarloosd, uitgebluscht,
Had gaarne, als zij, in t graf gerust.
Waar was de tijd, dat laat en vroeg
Ook hem een vuurge schimmel droeg?
Dat hij zijn lied kweeldet onbeducht
En vrij als t vogeltje in de lucht ?
Dat hij, vereerd en opgepast,
In elk kasteel een welkom gast,
Voor heer en vrouw van edel bloed
Zijn rijm deed stroomen als een vloed?
Ach, de oude tijden, de oude geest,
De dag der Stuarts is geweest.
Het onverdraagzaam heden ziet,
Een misdrijf in t onschuldig lied!
Nu zwerft hij, sjofel uitgedost,
En zingt een liedje voor den kost,
En stemt een harp voor domme boeren,
Die t hart eens konings mocht vervoeren.

Hij komt, waar Newarks torenspits
Uit Yarrows berken zichtbaar is.
Begeerlijk dak voor wie in t rond
Geen nederiger herberg vond.
Hij nadert, aarzelt, staat er voor,
Vermant zicht treedt de voorpoort door;
Die poort, wier boom en zwaar beslag
Een sterken vijand keeren mag,
Maar gaarne een goed onthaal voorzeit
Aan ouden dag en hulploosheid.
De burchtvrouw zag hoe moede en mat
De grijsaard over t slotplein trad;
Zijn schroom geviel der hertogin,
Zijn achtbaar uitzicht nam haar in.
En ras kent elk haar hoog gebodt
Hem wel te ontvangen op het slot.
Zijzelf was, spijt haar edel bloed,
Niet onbekend met tegenspoed;
Want t schoon zij macht aan schoonheid paart,
Het noodlot heeft haar niet gespaardt
Maar perst haar bittre tranen af
Bij Monmouths vroeg en bloedig graf.

Als spijs en drank hem zijn beschikt
En de oude man geheel verkwikt,
Herleeft zijn dichterlijke trots;
Het oog schiet vuur, de tong komt los;
Het geldt Graaf Francis, dood sinds lang,
Graaf Walter, waardig lof en zang;
Geen dapprer held zat ooit in t zaal;
En hoe hij menig schoon verhaal
Te doen wist van den ridderkring,
Die met Buccleuch te velde ging;
En, als de hooggeboren vrouw
Eens grijsaards pogen hooren wout
Al was zijn stem zoo forsch niet meer,
Zijn hand zoo vast niet als weleer,
Hij wist nog wel een lied te spelen,
Dat haar niet ganschlijk zou vervelen.

Men leent zijn heusch verlangen t oor,
En de oude Meistreel krijgt gehoor.
Maar als, ter burchtzaal ingetreen,
Met al haar juffren om haar heen,
De hertogin den bard ontvingt
Geloof ik dat hem t hart verging.
Hij stemt de harpt maar mist den moedt
Die, door te durven, slagen doet,
En overstelpend gaat een droom
Van beeldent als een bange droom
Van langverleden vreugd en smart
Hem door het kloppend brein en hart.
Hij stemt de harp nog eens; voor niet:
Zij blijft ontstemd. De burchtvrouw ziet
Met deernis hoe hij zwoegt en beeft ;
Zij prijst den klank, dien t speeltuig heeft;
Zij geeft den speelman moed en tijd,
Tot hem de rechte toon verblijdt,
De rechte toont het juist akkoord
Met zielewellust wordt gehoord!
Nu, zegt de zanger, wil hij t wagen
Nog eens een lied, voor vele dagen
Voor t laatst gezongen, als hij dacht,
Te doen herleven in zijn kracht.
t Was voor geen dorpers laaggeboren,
Het was bestemd voor de edelste ooren;
Eens zong hij t met een vol gemoed,
Den koning voor op Holy-rood.
O, hoe gelukkig zou hij t achten,
Zoo hijt na zoo veel jaren tijds,
Den langvergeten tekst en wijs
Herroepen mocht in zijn gedachten!
Helaas! zij doen zich deerlijk wachten
Wel menige aanvang wordt gemaakt.
Maar t hoofd geschudt en weer gestaakt.
Op eens, hij heeft den toon gegrepen!
En moedig heft hij t nu omhoog;
Een lach, een traan blinkt in zijn oog;
De geestdrift, die zijn hart bewoogt
Zal spoedig alles met zich slepen.
In wisselmaat, nu forsch, dan zacht,
Dwingt hij t weerklinkend koord met kracht;
Geen vrees, geen opzien meert geen schromen;
De zorg is aan zijn hart ontnomen;
Zijn hooge jaren, lang verdriet,
Zijn armoe, hij gevoelt ze niet;
t Is alles in den stroom verslonden,
t Gaat alles onder in den gloed,
Waarbij zijn dichterlijk gemoed
Zijn jeugd en kracht heeft weergevonden.
t Verzwakt geheugen wordt gesterkt;
Elk geestvermogen waakt en werkt,
Tot dubble veerkracht opgewonden:
En ondersteund door t hairpgeklang
Klinkt dus des Laatsten Meistreels zang.


Ingezonden op: 19 July 2001