REBECCA’S LOFZANG.

(IVANHOE.)

Toen ’t volk, in Abram uitgelezen,
Uit zijn Egyptisch diensthuis kwam,
Heeft God de Leidsman willen wezen,
Die alle zorgen op zich nam.
Des daags verrees, voor aller oogen,
De grauwe wolkzuil naar den hoogoen,
Des nachts weerkaatste, rood als bloed,
De zandwoestijn een zuil van gloed.

Daar steeg de lof uit volle koren,
Daar deed bazuin en cimbelklank,
Daar Jacobs dochtrenrei zich hooren,
Met priesterlied en krijgsgezang.
Nu zien de volken, die ons haten,
Ons zwervend ras van God verlaten;
Want sinds het u verzaakte, o Heer!
Gedenkt ook Gij uw volk niet meer.

Maar neen! de schapen uwer weiden,
Ofschoon geen zichtbre wolk ze leidt,
Toch zal uw zorg hen veilig leiden,
Waar ’t hart vol ootmoed naar u schreit;
Licht, dat misleidt, voor het bewolken,
En, aan den rand van ’s afgronds kolken,
Bij donkren nacht een heldre schijn,
Een lamp voor hunne voeten zijn.

Onze arm zal nooit de harp meer beuren;
Zij werd den volkren tot een buit;
Geen reukwerk doet uw altaar geuren;
Bazuingeschal en zang heeft uit.
Maar eenmaal spraakt Gij tot de stammen:
Geen lamm’renbloed, noch vet van rammen,
Een hart, verbrijzeld, needrig, stilt
Ziedaar het offer naar mijn wil.


Ingezonden op: 19 July 2001