RIDDER KUNO.

EEN OUDE BALLADE.
(The Noble Moringer; translated from the German.)

Uit Bohemens oude dagen zinge ik u een waar verhaal,
Van den eedlen ridder Kuno, dien gelukkigen gemaal!
Hij omhelst en kust zijn gade, lieflijk, eerbaar, schoon en goed;
Maar hij spreekt: „Mijn halsvriendinne! hoor wat ik u melden moet.

’k Heb mij naar een verre landstreek tot een pelgrimstocht verplicht;
’k Moet Sint Thomas land bezoeken en verlaat mijn slotgesticht;
Hier kunt Gij gebiedster wezen, zoo ’k er op vertrouwen mag,
Dat gij trouw op mij zult wachten, zeven jaren en een dag.”

Met een hart beklemd door droefheid sprak het vrouwtje tot haar ga:
„Zeg, mijn liefste! zeg, mijn eedle! wat bevelen laat gij na!
Wie zal uw vazallen leiden, wie voert hier voor u ’t bewindt
En wie zal uw vrouw beschermen, als ge u in den vreemde vindt?”

Toen sprak de eedle ridder Kuno: „ Vrees melieve! daarvoor niet;
Daar is menig edel ridder in mijn uitgestrekt gebied;
’t Zal de vroomste zijn van allen, wien ik land en staat betrouw,
Hij wordt hoofd van mijn vazallen, hij beschermer van mijn vrouw.

Als een christen moet ik houden, wat ’k den heilgen heb beloofd;
O gedenk, als ’k ver zal wezen, aan uw ridder, heer en hoofd;
O! Melief! hou op van treuren, ’t is vergeefs indien gij rouwt,
Neem van trouwen Kuno afscheid, die zijn eed den heilgen houdt.”

Zoo sprak de eedle ridder Kuno, en hij haastte zich van ’t bed,
En zijn kamerheer ontmoette hem met tabberd en lampet;
Om zijn schoudren viel de tabberd, rijk gevoerd met sabelbont,
En in ’t water doopte de eedle hand en voorhoofd, hoog en blond.

„Hoor, heer kamerheer!” zoo sprak hij, ” want gij zijt een goed vazal,
En de plicht is groot en wichtig, dien ik u betrouwen zal:
Zeven jaren zult gij heerschen over burcht en riddrenstoet,
Zeven jaren zult gij instaan voor mijn eega’s trouw gemoed.”

Maar de dienaar was rondborstig; zonder omweg zeide hij:
„Heer, blijf hier, blijf zelf gebieden, en neem dezen raad van mij:
Vrouwentrouw is zwak en wankel; zeven jaren, zegt gij? ’k Zou
Nauwlijks zeven dagen instaan voor de trouwheid van een vrouw.”

De eedle ridder zag rondom zich, voelde ’t hart onrustig slaan,
Maar hij zag Marstettens erfzoon, zijn getrouwen schildknaap, staan.
Huivrend sprak hij tot den jonker: „Trouwe schildknaap! spreek, neemt gij,
Als ik ver zalover zee zlln. die verplichting op van mij?

Zult ge dees mijn burcht bewaren, dit mijn land beschermen, en
’t Hoofd van mijn vazallen wezen, als ik op mijn tochten ben?
Zult gij zeven jaren instaan voor een gade bij haar man,
En haar hoeden als Marye trouw beschermd werd door Sint Jan?”

De eedle jonker was trouwhartig, maar hartstochtlijk. fier en jong, Sp-oedig met een antwoord vaardig, maar met onbedachte tong:
„Edel heer! verdrijf uw zorgen, vang gerust nw reistocht aan,
En belast mij met dees eerplicht tot ge uwe eeden hebt voldaan.

Steun op mijn beproefde trouwe, die ik heilig houden zal,
’k Zal uw land en burcht beheeren en elk ridderlijk vazal;
Voor uw lieve en trouwe gade geef ’k gerust mijn hoofd te pand,
Dat ze u minnen. blijft en deugdzaamt bleeft ge ook. dertig jaar uit ’t land.”

Welgemoed was de eedle Kuno op ’t vernemen van dat woord;
’t Joeg den rimpel van zijn voorhoofd, van zijn wang de bleekheid voort;
Allen wenscht hij wel te varen, scheept zich in zoo ras bij mag,
En gaat zwerven in den vreemdet zeven jaren en een dag.

In een boomgaard sliep de ridder, in een boomgaard op den grond,
Toen op eenmaal, in de sluimring, een verschijnsel voor hem stond,
Toen een stem hem zachtkens toesprak: „Ridder! ’t voegt u op te staan!
Want uw erfgrond en uw gade neemt een andren meester aan.

Want uw strijdros ruilt zijn breidel en uw burchtslot zijn banier,
En de stoet van uw vazallen volgt een’ ander in ’t bestier,
En de gade, die gij lief hebt, die zoo trouw eens was als schoon,
Huwt zich, in uws vaders burchtzaal, heden aan Marstettens zoon.”

Op sprong de eedle ridder Kuno, en hij rukt zich aan den baard:
„Welk een tijding moest ik hooren? waartoe leef ik nog op aard?
Moest ik land en staf verliezen, al mijn vreugd was niet verwoest;
Máár dat ooit een trouwloos ridder mok mijn gade ontrooven moest!”

„Mijn Bescherm-sint!” bad de ridder, „Heiige Thomas! gij, geeft acht!
Een verrader steelt mijn erfland, daar ’k voor u mijn plicht betracht,
En hij brengt mijn vrouw tot schande, die zoo zuiver was en goed
En ik dool nu vreemde landen, die dien smaad verzwelgen moet!”

Als Sint Thomas deze woorden uit zijns pelgrims mond vernam,
Zond hij hem een diepen sluimer, die hem gansch bedwelmen kwam;
Hij ontwaakt in ’t schoon Bohemen, aan eens beekjes oeverrand;
Een kasteel stond rechts, een molen prijkte er aan zijn linkerhand.

Op sprong de eedle ridder Kuno; zijn betoovring was voorbij;
Duizlend van geluk en vreugde, zag hij rond ter wederzij;
„Ik herken mijns vaders burchtslot, met dien molen, met dien vliet!
O heb dank, Geboorte-heilge! die mij bijstaat in ’t verdriet!”

Op zijn pelgrimsstaf gebogen, toog hij naar den molen heen,
Waar geen mensch zijn heer herkendet mits hij oud en zwaklijk scheen.
„O verhaal” — dus sprak de ridder, en hij greep des huismans hand,
„O verhaal een’ armen pelgrim wat er nieuws is in dit land.” —

„Weinig nieuws heb ik vernomen;” sprak de huisman wederom;
„Dit slechts: de eedle vrouw van ’t landschap kiest een tweeden bruidegom;
Haar gemaal stierf in den vreemde, dit verhaalt men telkens meer,
En zijn dood gaat ons aan ’t harte, want hij was een waardig heer.

’k Houd van hem dees kleinen molen, die mij brood en nooddruft geeft;
God doe zacht den ridder rusten, die mij zacht behandeld heeft!
Als ’t Sint Maartensdag zal wezen, en men ons ons loon voldoet,
Trekt de priester kap en stool aan, die voor Kuno bidden moet.”

De eedle Kuno klom den heuvel op, waar hij zijn burchtslot had
Voor de welgesloten poorte stond hij moede en afgemat:
„Ieder Heilige uit den hemel! sta uit deernis nu mij bij,
Dat ik, die dees echt wil breken, hier niet uitgesloten zij!”

Flauw en moedloos was zijn kloppen, dof en droevig was zijn stem,
Hoofd en hart en spraak en krachten, alles was bezwaard in hem;
Tot den wachter sprak de ridder:„Zeg der goede burchtvrouw dit:
Dat een pelgrim van St. Thomas voor één dag bescherming bidt.

’k Heb zoo menig weg geloopen, en mijn kracht heeft eindlijk uit;
’k Zal geen morgen weer aanschouwen, zoo zij mij de slotpoort sluit;
’k Vraag haar, om St. Thomas wille, pelgrimsleger, pelgrimsdisch,
Om den wil van ridder Kuno’s dierbre nagedachtenis.”

De oude wachter trad ter burchtzaal op en sprak der vrouwe toe:
„Voor de slotpoort staat een pelgrim, oud en afgereisd en moê
Vragende, om St. Thomas wille, pelgrimsleger, pelgrimsdisch,
Om den wil van ridder Kuno’s dierbre nagedachtenis.”

’t Zachte hart der vrouwe ontsluit zich: „Open,” sprak zij, „hem ’t kasteel,
Heet den zwerver welkom, vall’ hem spijs en drank en bed ten deel;
En daar hij mijns eega’s naam noemt, zoo ’t zijn hart gelusten mag,
Zal dit burchtslot hem beschermen zeven weken en een dag.

De oude wachter deed de slotpoort op, naar last der edelvrouw,
En de ridder trad den drempel over van zijn slotgebouw.
„Wees nu,” sprak hij, „goede hemel! van een zondig mensch gedankt,
Dat dit burchtslot in zijn muren zijn gebieder weêr ontvangt.”

Toen trad de eedle ridder Kuno in zijn hal met trage schreên,
En het deed zijn harte breken, dat hij elk een vreemdling scheen;
Op een lagen zetel zat hij, diep weemoedig, bleek en bang;
Kort slechts zat hij daar, maar nimmer viel hem korte tijd zoo lang.

Onder was de zon gezonken, ’t feest gedaan, en dáár de nacht;
’t Uur genaakt, dat jonge bruidjes in haar bruigoms armen wacht;
’t Is — sprak een der speelgenooten — „steeds eene ijzren wet geweest,
Dat geen gast hier zal vernachten, die geen zang zong op een feest.”

„Daarom” — sprak de jonge bruigom, als hij neerzat naast zijn bruid,
„Legt, mijn zangren! legt de citer neder en de gouden luit;
Onze pelgrim zal ons toonen, dat hij aan die wet zich houdt,
En ik zal zijn lied beloonen met een nieuw gewaad en goud.”

.Koel is ’t lied der koude grijsheid,” dus was ’t, dat de pelgrim zong,
„Schittrend kleed, noch gouden schatten slaken ooit haar stramme tong;
Eenmaal zat ik, blijde bruigom! aan mijn tafel, rijk als gij,
En een schoone bruid zat naast mij, en haar schoonheid was voor mij.

Maar mijn voorhoofd werd gerimpeld, en mijn haar is zilvergrijs,
En mijn wangen zijn verschrompeld door de wreede hand des tijds;
’k Ben een arme pelgrim heden en, op ’s levens laatst tooneel,
Meng ik in uw bruiloftsvreugde ’t krassen van mijn schorre keel.”

De eedle burchtvrouw hoort bewogen dit aandoenlijk treurlied aan,
En voor ’t leed van d’ ouden pelgrim zwelt in ’t minzaam oog een traan
„Neem een gouden beker,” spreekt zij tot haarschenker,„vul hem hoog,
Dat om mijnentwil de pelgrim haar ten bodem leegen moog’!”

De eedle Kuno nam den beker, en zijn hand liet in den wijn
Straks een gouden trouwring glippen, schittrend, kostelijk en fijn;
’t Was dezelfde, dien zijn bruid hem eenmaal aan den vinger stak,
De eigen bruid, die nu zoo schroomlijk haar belofte en trouw verbrak.

Daarop sprak hij tot den schenker:„Doe me een enkel dienstbetoon,
Dat ik, mocht mijn welvaart keeren, rijk en vorstlijk u beloon’:
Breng dien gouden beker weder, weder tot die blijde bruid,
En ter eer des grijzen pelgrims drinke ze ééne teug daaruit.”

Hoflijk was de goede schenker en wees zijn verzoek niet af;
Maar hij nam den gouden beker, dien hij aan de burchtvrouw gaf:
„Eedle vrouw! de eerwaarde vader bidt dat hem gebeuren moog,
Dat uw mond, in eedle heuschheid, hem bescheid doe met een toog.”

Reeds zag zij den ring van verre, nu bekeek zij hem nabij:
„Hier moet ridder Kuno wezen — de eedle Kuno!’ gilde zij;
En zij ijlde van haar zetelt en haar tranen stroomden ras: —
Maar een vrouw moog hier beslissen, of ’t van vreugde of droefheid was.

Doch zij uitte luide erkentnis aan der Heilgen hooge macht,
Die den eedlen ridder Kuno wederbracht vóór middernacht,
En zij zwoer met luider stemme, dat daar nimmer maagd of vrouw
Zoo geducht als zij beproefd was, en zoo kuisch geweest en trouw.

.Ja, ik vorder hier de lofspraak, die aan brave vrouwen past,
Die naar woord en plichten” — sprak zij —„trouw volbrengen en standvast;
Want, tel vrij de dagen over! zeven jaren en een dag
Zijn te middernacht verstreken met den laatsten klokkeslag.”

Toen verrees Marstetten ijlings, en hij trok zijn blinkend zwaard,
En hij knielde neêr voor Kuno, en lei ’t wapen af op de aard’:
„’k Heb mijn eed en trouw gebroken, die ik plechtig had verloofd;
Leenheer! neem uws leenmans degen; leenheer! neem uws leenmans hoofd.”

De eedle ridder Kuno zag hemt en hij zeide met een lach:
„Hij wordt wijzer, die gedwaald heeft zeven jaren en een dag;
Vijftien jaren telt mijn dochter, die ik prijzen hoor als schoon,
Ze is mijn éénige erfgename, zij ze uw bruid, en wees mijn zoon!

Aan een jongen bruigom voegt een jonge bruid, maar de oude aan mij,
Die haar trouw zoo wel bewaard heeft tot de proeftijd was voorbij;
Maar gezegend zij de wachter, die mij toeliet tot dit feest,
Want zoo ’k morgen waar gekomen, ’t was een dag te laat geweest.”


Ingezonden op: 19 July 2001