DE SINT-JANSNACHT,

Vroeg zit de Heer van Smaylhom op
En spoort zijn ros en snelt
In eenen door, langs t rotsig spoort
Naar t ruige heideveld.

Hij zoekt geen troepen van Buccleuch,
Die op de grenzen waakt,
Noch keert zijn speer een vijand toe,
Die t land onveilig maakt.

Toch dekt het harnas borst en rug,
De malierok zijn len;
Zijn zwaar helme, is opgezet,
Waar hij een reus mee scheen.

Een stalen strijdakst, tien pond zwaar,
Hangt aan zijn zadelknop,
Zijn arm beschut een beukelaar;
Daar prijkt zijn wapen op.

Hij komt terug, den vierden dag;
Zijn blik is stroef en scheel;
Zijn klepper stapt zoo traag hij mag,
Bij t naadren van t kasteel.

Hij komt niet van waar de Engelschman
In t vochtig sekgras beet,
Waar trouwe Douglas met Buccleuch
Voor de eer van Schotland streed.

Buccleuch Ralph Evers boeten deed (*)
Voor plundring, kerkroof, moord,
Voor s priesters vloek en s huismans kreet,
Glimlachend aangehoord.

Toch is zijn helm gebult, geblutst,
Zijn wapenrok gescheurd,
Zijn bijl en zwaard verstompt, geschaard,
En met rood bloed gekleurd.

Af stijgt hij snel, bij zijn kapel,
Eer man of maagd hem zag;
Zijn fluitje klinkt, en ijlings springt
Zijn voetknaap voor den dag.

Kom hier, mijn kleine voetknaap, kom!
Gij zijt nog jong en teer;
Men veinst niet op uw ouderdom;
Trouw zijt gij aan uw Heer.

Ge onthoudt mij niet hetgeen gij ziet,
Maar dient mij alles aan:
Welnut sinds ik het huis verliet,
Wat heeft Mevrouw gedaan?

Mevrouw bemint, in weer en windt
Een eenzaam bakenvuurt
Dat op den naakten Watchfold blaakt
In t donker avonduur.

Al riep schuifuit en roerdomp luid,
Al blies de stormwind fel,
Mevrouw betrad het steile pad
Naar Watchfolds vuurbaak wel.

Ik volgde haar in stilte naar
Tot waar zij boven kwam;
Geen waker waakte er bij de baak,
En kwijnend was de vlam.

Zij koos een ruigbegroeiden steen,
En wierp zich achtloos neer;
De vuren telde ze een voor een
Van t Engelsch oorloogsheir.

Trouw gaf ik acht den tweeden nacht;
Het weer was bar en guur;
Toch klom zij op dien hoogen top
En plaatste zich bij t vuur.

Maar bij dat vuur, stond in dat uur,
Beschenen door zijn gloed,
Een edel heer in krijgsgeweer,
En kwam Mevrouw temoet.

In volle rusting stond hij daar
En sprak de Lady aan;
Maar storm en regen door elkaar
Liet mij geen woord verstaan.

De derde nacht was stil en zacht;
De bergwind stak niet op;
k Nam t heimlijk paar weer heimlijk waar,
Op Watchfolds kalen top.

Toen is een woord door mij gehoord:
Te middernacht, Sint-Jant
Kom dan tot mij, zoo fleemde zij,
En denk niet om mijn man.

Hij drilt zijn speer voor Schotlands eer,
En weert zich met Buccleuch;
Sint-Jansnacht vindt gij die u mint,
En hare deur niet toe.

Dat kan niet zijn, zoetliefste mijn!
Dat mag niet wezent neen!
Sint-Jansnacht moet ik zwervend zijn,
Omzwervende en alleen.

Wat hoor ik? Gij, gij weigert mij,
Lafhartig ridder! hoe?
Lacht u geen uurtje vrij en blij
In mijn gezelschap toe?

Geen hond die bast; ik leg hem vast;
Den wachter zeg ik: Zwijg!
De steen en trap besprei ik knap
Met bies en wilgentwijg.

En daarom nu bezweer ik u
Bij t boetkleed van Sint Jan,
Bij t hardsteen kruis in s Heeren huis,
Bezoek mij daar en dan.

Al roert geen waaksche hond de kaak,
Al blijft de wachter stom;
Schoon zich mijn voet niet hooren doet,
Toch zeg ik niet: ik kom.

Een priester slaapt te halverweeg;
Hij merkte licht mijn schren,
En zag hij dat ik opwaarts steeg,
Hij giste ras waarheen.

Wat priester, priester! sprak zij koen,
Naar Dryburg is zijn gang;
Zielmissen heeft hij daar te doen,
Drie volle dagen lang.

Een ridder geldt het, die in t veld
Het jeugdig leven liet,
Gij leeft mijn vrind, en wordt bemind,
O vrees den priester niet!

Hij keert zich grijnzende af en snauwt
Met valschen lach haar toe;
Dat die voor hem de zielmis bauwt
Meteen voor mij dat doe!

Maar t zij zoo! wacht mij aan uw spond,
In t uur van middernacht!
Dan hebben booze geesten macht
En zwerven spoken rond.

Daar trad hij heen; zij bleef alleen;
Mijn oor vernam niet meer;
Ik gaf naar plicht getrouw bericht,
Nu weet gij alles, Heer!

De donkre tint van Smaylhoms kaak
Ontstak tot gloeiend rood:
Duid uit den schelm! Ik dorst naar wraak!
Bij God! ik eisch zijn dood.

Des Ridders kleuren merkte ik gauw,
Bij t schittrend licht der vlam:
De pluim zijns helms was rood en blauw
En dekte een gouden kam.

Zijn wapenschild vertoonde een brak
Met zilvren halsband om,
t Helmteeken scheen me een jevertak,
Maar die van goudglans glom.

Dat is gelogent stoute knaap!
Gelogen, luid en laf!
Want, slechthoofd, zie! bij Eildontree
Ligt dien gij meent in t graf!

Hoor dan nog meert hoogedel Heer!
k Onthield den naam; verneem!
Mylady sprak dien zacht van nacht:
Sir Richard Coldinghame.

Een rilling ging zijn heer door t lijf;
Zijn wang werd koud en wit:
Het graf was diep; het lijk was stijf;
Neen, nooit geloof ik dit.

Daar, waar de Tweed zijn golven schiet
Bij Eildons heuveltop,
Kliefde, ongezien, een vijand dien
Den bontgepluimden kop.

Men lei hem af; men groef hem t graf;
Drie nachten ligt hij daar
En gij, gij zegt: ik zag den knecht
Bij God! Het is niet waar!

Het flikkrend licht heeft uw gezicht
Verbijsterd, en de wind
Te fel gewaaid, den naam verdraaid
En u misleid, jong kind!

Want weet, in Dryburghs grijze abdij
Daar brengt met dof geluid
De monnikspij de litantij
Voor dezen Richard uit,

Hij treedt door poort en hofplein voort,
Bestijgt de torentrap,
En nadert waar de jufferschaar
Rondom zijn Lady zat.

De schoone Burchtvrouw zit en schouwt
Op dal en heuvel neer,
Op zilvren stroom en donker woud
En schilderachtig meer.

Gegroet, gegroet, mijn Lady zoet!
Gegroet! roept zij hem toe;
Wat nieuws brengt gij van Ancram mij?
Wat tijding van Buccleuch?

Een roode plas is heel t moeras
En stond den vijand duur;
Buccleuch bevalons toch vooral
Te waken bij ons vuur.

Haar kleur verschiet; zij antwoordt niet;
Haar eega zwijgt als zij;
Zij richt haar tred naar t slaapsalet,
En schielijk volgde hij.

De Lady legt, maar t lukt haar slecht,
Het hoofd ter ruste neer.
Hij woelt en wendt zich zonder end
En mompelt keer op keer:

Het graf was diep, was dicht en goed,
En geeft geen lijk weerom!
En om hem wroet het wormgebroed
Wat droomt wat schroom ik? kom!

Het mettenluiden neemt begin,
De vroege dag komt an;
Nu slaapt de Heer van Smaylhom in,
Des morgens van Sint Jan.

Nu kijkt Mevrouw met naamlooz angst
Bij t uitgaand nachtlicht rond,
En ziet Sir Richard, haar verlangst,
Die in haar kamer stond!

Neen, neen! Ga heen, mijn lief, mijn lust,
Roept zij hem fluistrend toe:
Gij weet niet wie hier Daast mij rust,
Of zijt het leven moe.

Al weet ik wie hier naast u rust
En slaapt in t huwlijksbed,
k Verhef mijn stem! Ik weet dat hem
t Ontwaken wordt belet.

Drie nachten heb ik reeds, reeds drie,
Gelegen in mijn graf;
Het leven nam bij Eildontree
Het vuigst verraad mij af.

Men zong voor mij de litanij-
gebeden vroeg en laat,
Las mis op mis, maar alles is
Vergeefsch en zonder baat.

Daar, waar de Tweed met snelle vaart
Den voet des heuvels net,
Versloeg mij valsch diens ridders zwaard,
Die naast u rust in t bed.

En rustloos moet in t nachtlijk uur,
Nog weken lang, mijn geest
Omzwerven bij dat Bakenvuur,
Waar wij zijn saamgeweest.

Had uw bezwering niet geluid
Als in den jongsten nacht,
Voorzeker vruchtloos hadt ge me uit-
genoodigd en gewacht.

De Lady staroogt; zij begint
Te siddren als een riet;
Maar zij bemint! De min verwint,
En spaart zichzelve niet.

Zij slaat een kruis met vromen zin
En spreekt het nachtspook aan:
O Richard, zeg het uw vriendin,
Hoe zal t uw ziel vergaan?

Is daar voor haar nog heul en heelt
Of alle hoop verdoofd,
En de eeuwge pijn uw treurig deel?
Het nachtspook schudde t hoofd.

Die bloed verdoet, verbeurt zijn bloed!
Zeg dit uw heer en man!
Verboden gloed dient streng geboet!
Wees daar een voorbeeld van.

Hij nadert, grijpt een bedstijl vast,
En tuurt in t ledekant;
De Lady zwijmt, van angst vermast,
Het nachtspook grijpt haar hand.

Het grijpt haar hand. Hoe brandt, hoe schroeit,
Hoe pijnigt haar die greep!
t Was o een ijzer, rood gegloeid,
Haar vingren samenneep.

Vier zwarte moeten liet die prang
In t poezlig sneeuwwit staan,
En voortaan had het levenslang
Een zijden handschoen aan.

Daar is een non, voor wie nooit zon
In Dryburgs klooster blinkt,
Hetzij ze in t oost de kimmen bloost,
Of westlijk nederzinkt.

Daar is een monnik in t convent
Van Melrose, uitgebleekt
Door vasten, t oog ter aard gewend,
Die tot geen stervling spreekt.

Die non, in t donker celgewelf,
Is Smaylhoms schoone vrouw;
Die monnik, zwijgende in zijn rouw,
De trotsche Smaylhom zelf.


Ingezonden op: 19 July 2001