VADERLANDSLIEFDE.

(LAY OF THE LAST MINSTREL).

Bestaat er mensch, zoo dood van hart,
Die nimmermeer bewogen werd
     Door ít denkbeeld: VADERLAND?
Die nooit een stil genoegen smaakte,
Als hij, gekeerd van ít vreemde strand,
Zijn eigen erfgrond weer genaakte?
Bestaat hij? ít Zij zoo! Maar weet wel:
Voor hem geen lied of citerspel.
Hoog zij zijn rang en oud geslacht,
Zijn rijkdom veel, en groot zijn macht:
     ít Baatzuchtige gemoed,
Dat niet dan voor zichzelven leeft,
Doe zich op de ijdelheÍn te goed,
     Waar ít lage hart aan kleeft,
Maar wachte vruchtloos al zijn leven,
Dat ts Dichters lier een enklen toon
Voor hem ten beste zoude geven!
Vergetelheid, zie daar zijn loon.
Hij moog met pracht ten grave zinken
Geen oog wordt nat, geen luit zal klinken.

O Caledonia, bar en guur,
Voor een poŽtische natuur
De rechte Voedster! Dierbaar land
Van bruine heide en warrig woudt
Van berg en vloed; geen stervílings hand
Breekt immermeer den sterken band,
Die mij aan u verbonden houdt!
Land van mijn vaadren! nooit herziet
Mijn oog een deel van uw gebiedt
Waarin ik eenzaam voort moet treden,
Of ít is als of me in berg en vloed
Een oude trouwe vriend ontmoet;
Nooit denk ik aan uw schoon verleden,
Of die gedachte doet mij goed,
En maakt, door uwe en mijne smart,
U dubbel dierbaar aan mijn hart.


Ingezonden op: 19 July 2001