VERVELING.

(HAROLD THE DAUNTLESS).
Daar is een zielsgesteldheid, aan ons allen
Bekendt en die ons vaak bij ’t slaaprig vallen
Van d’ avond, of bij dag, bij triestig weêr,
Bevangen kan, als onze geest veelmeer
Zich voelt gestemd tot domm’len dan tot waken,
En alles strekt om de uren lang te maken.
Verbeelding heeft dan vlucht noch licht;
Verstand Geen enkel vruchtbaar denkbeeld bij de hand;
Herinn’ring suft, en Kunstzin heeft geen oogen;
Het schoonst taafreel schijnt met een mist betogen;
Flauw, zoo niet valscht klinkt ons ’t bekoorlijkst lied.

Toch klagen wij dien toestand andren niet.
Men klaagt alleen op hoop van mededoogen;
Maar hoe zou deernis mooglijk zijn
Voor lasten zonder wicht, en lijden zonder pijn?
Een vriend der jacht kan van dit leed verhalen,
Als, op den dag voor „’s eersten dood” bestemd,
Stortregens, waar het veld van zwemt,
Hem aan ’t ondraaglijk huis bepalen.
De heng’laar kent het, als „dat mooie weêr”,,
„Die heldre luchten” maar niet wijken willen;
De jonge juffrouw nog veel meert
Wier Voogd of Moei, in hun barbaarsche grillen
Haar deel ontzeggen in de pret,
Die al de amies ’t hoofd op titelten zet,
En ’t jonge hart van zoet belang doet trillen.

Verveling! of, zoo als gij ook heet, „landt”!
U danken wij veel goede en kwade zaken.
Gestopt ons kaart en teerling in de hand;
Gij werpt d’ivoren bal op ’t groene laken,
Bestelt de draaibank, reikt den stijfselkwast,
Verwekt liefhebberijen, niet te tellen;
A plant zijn ezelt B zijn penningkast,
C spelden in de ruggen van kapellen;
D, eerst de schrik van ’t muis- en kikvorschdom
Door luchtpomp en galvanische kolom,
Keert nu, vermits zijn proeven zelden lukten,
Van dag tot dagt gedroogde planten om…
O Deftig beuz’len, o gemaakte drukten!

’k Zwijg van de stapels boeken, niet geschreven
Dan voor uw!ilaaprige oogent Legio,
Ziedaar den naam dier gansche rommelzoo
Romans, bestemd slechts éénen dag te leven;
Verhalen („Losse” en — Stijve!); Luimig goedt
Dat altijd nog de beste zaken doet.

Elk heeft zijn middelt elk zoekt raad
Bij ’t kwellen van dit schroomlijk kwaad.
Wat mij nog immer ’t meeste baat,
Is naar mijn boekzaal weg te sluipen,
In ’t hoekje van den haard te kruipen,
En op mijn luien-stoel, bij ’t knappen van mijn vuur,
Een sprookje van fantastische natuur
Zóó lang te lezen tot, met neevlen overtlogen,
De letters mij gaan huppelen voor de oogen,
En ’t fraai verhaal des dichterst binnen ’t uur,
Zich oplost in de wonderlijkste droomen,
Die in mijn hazenslaap mijn geest bestormen romen.
Gansch wonderbaarlijk is ’t soelaas,
Door mij geput uit de avonturen
Van Ridders, strijdende voor hun Dulcinea’s,
Van Juffers, smachtende achter kloostermuren;
Ontleend aan Luchtpaleizen, Talismans,
Kabouters, Reuzen, Vampyrs, Doodendans
En Heksenfeest… In weerwil van mijn reden
En goeden smaak, het helpt, en ’k ben tevreden.

Somtijds ontvloeit me ook wel, op zulk een tijd,
Een stroom van verzen, die zich tot Vertelling schikken,
Maar die ’k, in wijzer oogenblikken,
Verscheur of in de vlammen smijt.
Er zijn er die dit vonnis overleven,
En die, — met fierheid zeg ik dit
Mits ze in een ledig uur genoegen geven,
Niet vragen of een tijdschrift prijst of vit
Pijnstilling, mooglijk zachte streeling
Bij ’t haatlijk knagen der Verveling,
En vragende om geen ander loon
Dan ’t vaakrig lachjen op een uitgerekte koon.


Ingezonden op: 19 July 2001