1 DECEMBER 1890,

op Het Loo,

De zon bescheen met vriendlijk licht,
     Op d eersten der Decemberdagen,
Het Loo, als voor mijn aangezicht
     Zijn Vorst en Heer werd uitgedragen.
De kroon praalde, in dien zachten glans
     Op t deksel van zijn laatste woning,
En rozen- en cipressenkrans
     Sprak van de liefde voor den Koning.
Zoo stil en plechtig kwam de stoet
     Mijn vensterraam voorbij getogen
Ik zag hem na met vol gemoed,
     Verbleekten mond en vochtige oogen.
Nog bleef ik op t verlaten plein
     Met ingehouden adem staren,
Als reeds de laatsten van den trein
     Aan mijn gezicht onttrokken waren.
t Was doodsch en ledig om mij heen;
     Geen stem of voetstap werd vernomen;
k Stond in t verlaten Huis alleen,
     Waar nooit de Meester weer zou komen.
Niets hoorde ik dan de treurmuzijk,
     Wier tonen stervend tot mij kwamen,
En t siddren van de vensterramen
     Op t eerbewijs aan t Vorstlijk lijk.
Ik ben de rouwzaal ingetren,
     Waar tot den morgen t waslicht gloorde
En al de sombre pracht bescheen,
     Die tot eens konings lijkpraal hoorde.
t Was uitgebluscht; de bloemenschat
     De omkranste lijkbaar nagedragen;
Verstrooid lag palm- en lauwerblad,
     En de optre zelf uiteengeslagen,
Ach, pracht en praal had afgedaan,
     Fluweel en floers en zilvertooisel;
Twee zwarte schragen grijnsden me aan,
     Niet meer verheeld door t zwaar omplooisel
Toen is  ik beef als ik t herhaal 
     Dit denkbeeld in mijn ziel gerezen:
Zou niet de aldus onttooide zaal
     Beeld van t ontluisterd Neerland wezen?
Ontluisterd  niet door eigen schuld,
     Als honderd jaar niet doen vergeten,
Maar door den Dood, met ongeduld
     Op ons te groot geluk gebeten.
 k Zag Drie Oranjes op den troon,
     En Zeven, van zijn glans beschenen;
Nu slaapt het Tiental bij de don.
     En k leef om ze allen te beween en.
 Daar trad weer t Kind mij voor den geest,
     Dat gistren avond, bij mijn spreken,
Zoo stil aandachtig was geweest,
     Zoo ernstig mij had aangekeken;
Het englen-kopjen in den glans
     Van t levend goud der blonde lokken...
Neen, riep ik, Hoop des Vaderlands!
     Ons noodlot is nog niet voltrokken.
Groen Rijsje, uit afgehouwen tronk
     Zoo heil voorspellende opgestegen,
De Hemel, die u t aanzijn schonk,
     Besproeie u met zijn dauw en regen,
Bestrale u met zijn zacht en gloed,
     En doe noch licht noch kracht ontbreken
Aan de Onwaardeerbre, die u kweeken,
     Bewaken, en verzorgen moet!

Ingezonden op: 19 July 2001