EERSTE KIND.

Evertje, uit de kool gfekropen,
Doet zijn oogjes nog niet open,
Maar is welgebouwd en kloek.
Zacht gekoesterd in het schoot je
Van zijn Grootje,
Slaapt hij in zijn wollen doek.

Kraamheer over haar gebogen,
Met een traan in glinstrende oogen,
Gluurt langs d’ opgebouden tip;
Kraamvrouw ziet het uit de verte,
En de vreugde na de smerte
Glimlacht om haar bleeke lip.

„Wat dit kindeken zal wezen”
Staat op ’t voorhoofd niet te lezen,
Wat het nu is, blijkt hier fijn:
Kraamheers TROTS, zoo zeer als zegen
Kraamvrouws RIJKDOM, zuur verkregen;
Grootjes TWEEDE MOEDERZIJN.


Ingezonden op: 19 July 2001