TWEESTRIJD.

Naar Clement Marot († 1645).

Dit kranke Lijf ziet naar genezing uit.
Maar neen, de Geest verbiedt het, die te hopen,
Wenscht dat die vunze kerker zich ontsluit:
De een hecht aan de aard, en de andre wil ze ontloopen.
Hun strijdig wenschen doet mij pijnlijk aan:
„Ach,” krijt het Lijf, „moet ik hier dan vandaan?”
„Ach,” zucht de Geest, „moet ik hier dan versmachten?”
„Neen,” spreekt het Lijf, „maar mijn wensch beter achten!”
„Zwijg” zegt de Geest, „wij beiden hebben ’t mis:
„Gods wil geschie! Ziedaar wat beter is.”


Ingezonden op: 19 July 2001