AAN EEN TACHTIGJARIG VRIEND, MET NOG ALTIJD ONGEWAPENDE OOGEN.

Het schoolkind, tot bewaring van t gezicht,
De jonglingschap, bij zwaren Studieplicht,
En de ouden, om Verduistring van het licht
Der oogen, dragen brillen, sterker, zwakker;
Maar Gij, omringd van een Gebrild Euroop,
Vervolgt, steeds zonder bril, uw levensloop;
Uw blik blijft vast en wakker;
En vriendlijk ook, gelijk dat vriendlijk hart
Dat deelneemt in ons aller vreugd en smart:
En u den Dood, door vrees noch zorg benard,
Doet onder de oogen zien als een vertrouwden makker.

10 Oct. 1891.

Ingezonden op: 19 July 2001