WILLEM DE CLERCQ.

AAN ZIJN KLEINDOCHTER.

Bij de voltooiing van haar arbeid aan
de openlijke uitgave van zijn Dagboek.

Nu KENT gij, dien gij nimmer hebt aanschouwd .
Nu zijt gij met zijn ziel en geest vertrouwd;,
Dien geest, zoo rijk begaafd, waarvan de gloed
Uw donker oog als ít zijne tintlen doet,
En nagloeit in uw hart; hem waardig kind!
Had Grootvaar u gekend, hoe had hij u bemind!

De wonder-gaaf, die hem de Hemel gaf,
Verdween met hem in een ontijdig graf;
Maar ít heerlijkst deel, dat hem te beurte viel,
De schoonheid van een reine Christen-ziel,
Der menschheid trouw, en eerlijk met haar God,
Staat in dit boek geprent, en zij ook Liliís lot.

Mei, 1888.

Ingezonden op: 19 July 2001