„HET KWAM ALTEMAAL,”

Jozua XXI: 45b

God zij geloofd, „’t Is ΰl gekomen,”
Wat zich mijn jonkheid had beloofd!
Zijn zegen, op mijn buigend hoofd,
Was grooter dan mijn stoutste droomen!
God zijn geloofd! „’t Is ΰl gekomen.”

Een heilig werk mij opgelegd;
Een schoone loopbaan voor mijn schreden;
En zuivre min; een heilige echt;
Een talrijk kroost, van Hem gebeden;
Een liefde-schat, mij hier bereid,
En opgelegd voor de eeuwigheid;
Een oogst van bloemen op mijn paden,
En ook… een handvol groene bladen!

„’t Kwam altemaal.” ’t Bleef lang te zaam.
Wat zal ik Hem, die ’t zond, vergelden?
Wat KAN ik, dan zijn grooten naam
Met schaamte en luiden dank vermelden!…

4 Oct. 1890.
Vijftigste verjaardag der aanvaarding van mijn ambt te Heemstede.

Ingezonden op: 19 July 2001