BIJ EEN DOODBED.

Rust uit, rust uit van ’t lange lijden!
Al lijdt ons hart om uw gemis,
Niet een zal de rust benijden,
Dit emdlijk u beschoren is:
De rust van ’t afgelegde stof;
De rust der ziel, in ’t hemelhof.

Die geestkracht. bij zoo felle smarten,
Dat stil geduld in ’t pijnlijkst lot,
Wat was ’t, dan ’t groot geloofs uws harten,
De onkrenkbre vrede met uw God;
Dan, bij den scherpen „doorn in ’t vleesch”,
„De zwakheid”, die „Gods kracht” bewees?

Gij hebt uw kruis Hem nagedragen,
Die ’t op den kruis berg droeg voor u,
U zelf verloochend, zonder klagen;
Het kruis was zwaar, de weg was ruw.
Gij hebt volhard en, voor Gods troon,
Draagt gij uw palmtak en uw kroon.

Februari 1891.

Ingezonden op: 19 July 2001