VOLKSGELOOF EN VOLKSVERHAAL.

(FOLKLORE.)

III.

MAAGDELIEFJE.

In Duitschland, Marienblümchen, Erdstern.
Bellis perennis.

Waar de Engel tot Maria had gesproken,
En zij ontroerd en peinzend nederzat,
’t Ootmoedig hoofd op hare borst gedoken,
Het hart zoo vol, het oog van tranen nat,
Zag ze aan haar voet, een lieve bloem ontloken,
Alomme waar een traantje had gespat;
Eene kleine ster van goud, met zilvren stralen,
Omschemerd van een zachten rozengloed.
En als zij, over bergen en door dalen .
Zich vol van hoop, naar hare Nichte spoedt,
Ziet ze overal die zelfde bloempjes stralen.
„Ster Jacobs,” denkt ze — „die de Wereld lichten moet”.
En sinds! waar is in alle wereldstreken
Een plekjen of een tijd zoo bar en hard,
Dat „Maagdelief” niet uit haar knop zou breken
En ’t „Aardsche Sterretje” niet spreken,
Van Gods genade en een eenvoudig hart?


Ingezonden op: 19 July 2001