VOLKSGELOOF EN VOLKSVERHAAL.

(FOLKLORE.)

IV.

DE ELZE.

Alnus glutinosa.

Geen sneller, feller, heller gloed
Dan t Elzenhout ontgloeien doet,
En geen van korter duur.
Wee, die bij Elzevuur
Verkleumde leden warmen moet,
Daar beukenblok en eeken
Den armen hals ontbreken!

Geen vruchtbrer grond voor ongediert
Dan t broekland, waarin de Elze tiert,
En in het brakke slijk,
Der draken klauw gelijk,
Zijn kromme slomme krauwels steekt
Waar padde en slang haar broed in kweekt
En duizend vuile wormen,
Hun vieze klitten vormen.

Geen narer bosch dan t Elzebosch.
Daar, blijkt wel, is de duivel los.
Wee, die er in verdwaalt,
Gedachtloos toeft en draait!
Voor de oogen danst hem flikkergloed;
Een tintlen vaart hem door het bloed,
Van boven tot beneden,
Met jeukte aan al zijn leden.

Vanwaar dan de elze komen mag?
Geen Schepsel van den Derden Dag!
Geen dierbaar Godsgeschenk!
Maar, op des Boozen wenk,
Uit borstels van het Zwijnenheer,
Gesmoorn in t Galilesche meer,
Aan de oevers opgekomen,
Om hem als hout te vromen.


Ingezonden op: 19 July 2001