VOLKSGELOOF EN VOLKSVERHAAL.

(FOLKLORE.)

V.

DE WILG.

Witte wilg, Schietwilg, Knotwilg, Bindhout.
Salix alba.

De Wilg, nog laag, was in den hof,
Waar ’s Heilands bloedzweet vloeide in ’t stof,
Waar geen discipel waakte,
Zijn angstgebed ten hemel rees,
En hij „verhoord werd uit de vrees” —
En als de bende naakte,
Met kracht verlangende om te zien,
(En niet terug te blijven
Hij ’t voorrecht der Olijven)
Wat hier geschiedde en zou geschien,
Schoot op om ’t wel te aanschouwen.
Daar ziet hij flus
Den Judaskus,
Hij ’t weemlen der flambouwen, —
Daar, hoe de heidensche soldaat
De ongure hand aan Jezus slaat
En — moet hem dit gebeuren? —
Hem takken uit komt scheuren,
Wier twijgen hij tot banden windt,
Dat hij die heil ge handen bind’,
Die te dien zelfden stonde
Nog heelden Malchus wonde.
Onwillig deelende in die schuld,
Van schaamte, gramschap, smart vervuld,
Laat, droevigste der boomen,
Hij dikke tranen stroomen,
Tot knobbels stollende op zijn tronk.
Terstond vergrijst zijn bladerpronk,
Als ’t haar, te berg gerezen
Op een verwrongen wezen;
Zijn wonden, slecht genezen,
Vervormen zich tot knoest en bonk —
En waar uw oog nadezen,
Aan d’ oever van een vaart of vliet,
Een wreed geknotten schietwilg ziet,
Gehavend en geschonden
Door steeds vernieuwde wonden,
En, schoon geen wind zich merken deê
Door zijn verschrikte blaren
Opeens een siddring varen…
Dien heugt Gethsémané.


Ingezonden op: 19 July 2001