IM GASTHOF.

(Reisherinnering.)

De mooie kasteleinse
Zit aan het hoofd van d avonddisch
Zoo jong en frisch;
Wie meldt van haar gepeinze,
Ons de geheimenis?

Wie van de jong~lingen,
Die ze aan hun bier helpt of hun wijn
Zal boven zijn,
In haar bespiegelingen
Na afloop van t festijn?

Dees, met de kling op zijde,
Die, als het Duitsche Vaderland
Wordt.aangerand,
Strijdvaardig t allen tijde
Zal schittren in zijn hand?

Die, hoop der kunstenaren
Toekomstig Holbein, Rafal,
Die t schoon model
Met oogen aan blijft staren,
Bij beurten ter en fel?

Dit puikje der studenten
Dat, voor den kansel opgeleid.
Van manlijkheid
t Merk op een wang liet prenten,
Die nog den baard verbeidt? (*)

Haar voorkeur weg te dragen,
Een wenkje  een woordje, een lieven blik
Die t hart verkwikk
Als blijk van welbehagen
In hun voortreffelijk Ik:

Ziedaar waar zij naar dingen
Met jokkernij en geestigheid,
Een mond die vleit,
Vertellen kan en zingen,
En kunstgedienstigheid.

Ziedaar hetgeen zij gisten
Van t lachje, dat van tijd tot tijd
Hun hart verblijdt,
Dat ze aan elkaar betwisten,
En eigenen om strijd.

Het lachjen ondertusschen,
Mijnheeren! op dit lief gezicht,
Gaat uit naar t wicht,
Dat ze in zijn slaap gaat kussen,
Zoo haast ge uw hielen licht.

Mainz,1887.

Ingezonden op: 19 July 2001