DE GRIEKSCHE ZANGER

onder de Turksche Overheersching.

LORD BYRON.

(Don Juan C. III. 1820.)

O Hellas, Hellas! Heerlijk land
Van lust en leven, glans en gloed,
Der Wijsbeid en der Kunst verpand,
Tooneel van oorlogsroem en moed!
Uw zon bedekt u, als voorheen,
Met luister, maar uw zon alleen!

t Homerisch lied van speer en zwaard,
t Anacreontisch, zoet en zout,
Vond weer- en nagalm over de aard,
Met lof en roem, die GIJ t onthoudt;
t Verst westen naar de tonen haakt,
Door eigen land en volk verzaakt.

De bergen zien op Marathon,
En Marathon op t bruisend meer.
Mij, die een uur daar mijmren kon,
Scheen Grieken vrij gelijk weleer.
Wie, voelt zich slaaf en onderjukt,
Wiens voet het graf des Perzers drukt?

Een koning, zeetlende op een rots,
Zag, voor t omgolfde Salamis,
Zijn honderd schepen, met den trots
Die van zijn voorspoed zeker is.
Hij telde ze, als de morgen blonk
Waar waren ze, als de dagtoorts zonk?

Waar waren zij? En waar zijt gij,
Mijn land? Uw kust is stil en stom;
Daar klinkt geen belden-pozij,
Daar gaat geen helden-geest meer om;
Daar is de luite, goden waard,
In handen als de mijne ontaard.

Nog iets is t, waar ons de eer ontbreekt,
Nog iets is t bij der ketens prang,
Zoo t vaderlandsche hart nog spreekt
In t rood, dat doorbreekt op de wang.
Wat blijft den Zanger? Bij hun schand
Een blos voor t volk, een traan voor t land.

Hoe? Tranen, tranen, week en laf!
De vaadren hebben BLOED gestort
Spartanen in uw bloedig graf!
Staat op en brengt ons wat ons schort.
Drie der Driehonderd. steunt mijn be!
En k zie een nieuw Termopylae.

Wat? Stilte alom? Gij slaapt, en zwijgt!
Neen, neen! t Ontwakend heldenheir
Gelijkt een vloed die bruisend stijgt!
Ik hoor hun stem: Wij komen weer!
Stel slechts een levende aan ons hoofd!
Maar al wat leeft is uitgedoofd.

Welaan mijn luite; een andre klank!
Vul hoog den kelk met Samos wijn!
Laat Turken tuk op krijgsroem zijn:
Ons eerloof is de wijngaardrank!.
Hoor, hoe de dronken feestgalm rijst,
En t bachanaal zijn zanger prijst!

Den dans van Pyrrhus danst gij veel;
Maar Pyrrhus phalanx komt niet wr.
Waarom vergeten t beste deel
En t manlijkst van de dubble leer?
Van Cadmus houdt gij t letterschrift:
Een slavenvolk onteert zijn gift.

Vul hoog den kelk met Samos wijn
En spaar ons preek en zedeles!,
t ..Deed Teios zanger zanger zijn,
Hij diende Wien? Polycrates.
Een dwingland Maar in elk despoot
Stak toen voor t minst een landgenoot.

De Chersonesische tiran
Was vrijheids eerste en eelste Vrind
Och, baarde ons t huidig uur een man
Miltiades, als gij gezind!,
Waar zulk een vorst en heer gebiedt,
Verbindt de band en knelt hij niet.

Vul hoog den kelk met Samos wijn!
Op Soulis bergel, Pargas kust,
Moet nog een overblijfsel zijn,
Zijn Dorische afkomst zich bewust;
Daar mooglijk wordt een zaad geteeld,
Waar Heraclidisch bloed in speelt.

Wacht van den Frank geen heul of scherm!
Een Franken-koning veilt en koopt.
Des landzaats zwaard, des landzaats arm
Is t, waar een volk zijn heil van hoopt!
Maar schut noch schild, hoe machtig, baat
Bij Turksch geweld, Latijnsch verraad.

Vul hoog den kelk met Samos wijn!
In t lommer danst een maagdenrei,
Haar oogen schlttren, maar het mijn
Blinkt van de tranen die ik schrei.
Moet, zucht ik, moet een slaafsch gebroed
Aan zulke boezems zijn gevoed!

Plaats mij op Suniums steile rots!
Daar zal de zee mijn klacht verstaan,
Als ik, haar klagend golfgeklots;
Daar sterve ik zingende, als de zwaan!
Geen slavenland kan t mijne zijn
Aan gruis, gij kelk met Samos wijn!


Ingezonden op: 19 July 2001