GIJ ZIJT TE STERK.

Jer. XX: 7.

„Gij zijt te sterk; gij overmoogt”
Hen die U weerstand bieden,
Gij, die ’t ontkomen niet gedoogt
Van wie u poogt te ontvlieden,
Die de U vergetenden gedenkt,
Geen rust laat, natreedt, inhaalt, wenkt,
Tot staan brengt, door kastijden,
Tot schaamte, door verblijden.

„Geen ontrouw doet uw trouw te niet;”
Geen wei gr en stremt uw nooden;
Uw heil, „zoo lang het heden hiet,”
Blijft altijd aangeboden.
Gij rekt een korten levensduur,
Om zij het ook ter elfder uur,
Verblinde stervelingen
Tot hun geluk te dwingen.

Slechts die, ten einde toe verhard,
Tot aan zijn jongste snikken
Den arbeid uwer liefde tart,
Haar koorden mijdt als strikken,
Om vrij te blijven, vrij van God!
Krijgt zijn begeerte tot zijn lot.
Mag voorts zichzelf behooren,
ZAL vrij zijn en — verloren.


Ingezonden op: 19 July 2001