AAN J. P. HASEBROEK.

Op het feest onzer zesenvijftigjarige vriendschap.

Gij ZIJT nog wat gebleven,
En ik ben ok nog daar,
Nog rustig, lustig, even
Als voor zoo menig jaar.
Geen Invloed uit den Ooste,
Geen Noorder windgeblaas,
Al vielen beste en booste,
Bracht ons van onze plaats. (*)

Daar is een luit gesprongen,
JJaar is een harp ontsnaard,
Een lied voor t laatst gezongen,
Heel Neerland lief en waard;
Daar is een hart gebroken,
In eenzaamheid en rouw,
Een zon ter kim gedoken,
Die nooit wer rijzen zou.

Maar onze citerklanken
Gaan nog van ziel tot ziel,
Met loven en met danken,
Omdat het God geviel
Wat zes en vijftig jaren
Verbonden was geweest
Nog weer een jaar te sparen,
Voor t vieren van ons feest.

Zal t zich nog vaak herhalen?
Zal van de TWINTIGSTE eeuw
Nog t morgenlicht bestralen
Het bloempjen, in de sneeuw
Der late winterdagen,
Die ons de Hemel schikt,
Spijt kille en dichte vlagen,
Bevroren noch verstikt?

Wij mogen t niet verwachten;
Maar vreezen doen wij t niet,
Zoo maar de geest zijn krachten
Zich niet ontzinken ziet;
Zoo maar het brein blijft werken
En van ons heilig vuur
Zich nog wat gloeds laat merken,
Als in dat feestlijk uur.

1890.

Ingezonden op: 19 July 2001