IK ZAL DEN HEERE ZINGEN IN MIJN LEVEN; IK ZAL MIJNEN GOD PSALMZINGEN TERWIJL IK NOG BEN.

Psalm 104 : 33.

Ik ben nog, en verhef uw lof,
O Heer van dood en leven!
De borst nog warm, het oog niet dof,
De stem nog zonder beven.
Nog klopt mijn hart met vasten slag,
En dankt dat ik u loven mag.

Waar vang ik aan, waar eindig ik
Met uwen lof te zingen?
Van oogenblik tot oogenblik
Bleef mij uw gunst omringen;
Mijn jonkheid, manheid, ouderdom
Ging in uw schuts en voorzorg om.

Wat zal ik luidst, wat zal ik meest
In uwe liefde prijzen?
Dat ze Overvloedig is geweest
Met duizend gunstbewijzen?
Dat, op den donkren weg der smert,
Haar Steun mij niet onthouden werd?

Mijn hart, keer tot uzelven in,
En ondervraag mijn leven!
Wat ziet gij? Zelfzucht, eigenzin,
Verzuim en tegenstreven
Mild en Weldadig waart ge, o Heer!
Maar uw Lankmoedigheid zegt meer.

Doch looft mijn hart dat groot Geduld,
Dat mij verdroeg en spaarde:
Te zwaarder weegt de groote Schuld,
Die ’k op mijn hoofd vergaarde.
Tenzij ontheven aan dien druk,
Spijt al uw weldaân, geen geluk!

Gij naamt haar weg, barmhartig God!
Verzoening van mijn zonden,
Verlossing, vrijspraak, zielsgenot
Heb ik bij u gevonden.
Mijn hoogste en diepste jubeltoon
Stijgt VAN DEN KRUISBERG tot uw troon.


Ingezonden op: 19 July 2001