HET HOOGWOUD.

Leve t Woud, leve t Woud! Dat het groei, dat het bloei
Leve t Woud op de hoogte der bergen,
Waar het bronnat der beken zijn wortel besproei,
En zijn toppen den hemel doe tergen!
Leve t Woud, leve t Woud, van de zonne doorspeeld,
Die de stammen van beuken en dennen
Met haar kantlichten treft, en haar cirkelrond beeld
Honderdvoud op het pad doet herkennen!

Leve t Woud, dat den bodem, die t voedt, op zijn beurt
Weer versterkt met de spijs van zijn blaren,
En, van bloemen doormengd en van bezies doorgeurd,
Hem verbergt onder klimop en varen;
Waar aan de oevers der spranken vergeet-mij-niet lonkt,
En violen de hoogten beklimmen,
Waar met bloedroode kelken de vingerhoed pronkt,
En het hertshooi zijn sterren laat glimmen!

Leve t Woud met zijn wondren van moed en van kracht,
Dat niet schroomt door t gesteente te boren
Met zoo sober een schoonheid, zoo statig een pracht,
Als een ernstig gemoed mag bekoren;
Met zijn plechtige stilte en ontroerend gezuis.
Als de wind door de toppen komt zweven!
Leve t Woud, dat ik daaglijks eerbiedig doorkruis!
God zij lof, die me er kracht toe blijft geven!

Hohwald (Vogezen); Augustus 1887.

Ingezonden op: 19 July 2001