KLACHT VAN EEN KIND DER EEUW.

„Daar was een tijd, dat ik aan God geloofde,
Een Helland kende, een Heiland voor mijn ziel
Vloek over de Eeuw, die mij de eenvoud roofde,
Waardoor mij God en ik mijzelf ontviel!
Thans leef ik voort, en ken geen hóoger leven;
Ik lijd vergeefs, en heb geen troost in ’t leed;
Kort is ’t genot dat mij de zinnen geven;
Ik acht het niet, maar elke ontbering wreed.

„De Wetenschap verrukt, verrijkt. verovert,
Regeert en wordt verheerlijkt als een god.
’k Heb haar altaar, en zij mijn kruin omlooverd;
Maar kan zij mij verheffen boven ’t lot?
’t Genot der Kunst — ik laat me er door vervoeren —
Daar ’t wonden streelt, maar die het niet geneest!
Wreed Klankenspčl! uw zacht, uw woest ontroeren,
Wat is het dan een spelen met mijn geest?

„Mijn geest! Wat geest? Ach, kinderlijke droomen,
Door ’t voorrecht van te denken” lang verstoord!
De stof is ’t al. ’k Ben stof van stof gekomen,
En valt ze uit een, zij zet haar kreitsloop voort.
Een zelfde stroom verzwelgt de best en boosten;
Beschavingsbloem en vuig philisterdom;
De mensch verdwijnt. en boort om hem te troosten:
„De mensch-heid blijft.” Het zij zoo; maar Waarom?

„Waarom ’t bestaan? Zoo vraag ik duizendwerven.
Waartoe de pijn verzelvigd met het zijn?
Waartoe een schijn van leven om te sterven,
En zoo veel leeds verbonden aan dien schijn?
„Strijd om ’t bestaan” zij de inhoud van dat leven;
Maar voor ’t bestaan wat reden, doel of grond?
Benijdbaar, die van beiden wordt ontbeven,
Vernietigd en verlost in d’ eigen stond!”

1887.

Ingezonden op: 19 July 2001