LADDER JACOBS.

De ladder Jacobs rust op de aard;
Haar top reikt tot in ’s Hemels zalen,
Waaruit gedienstige Englen dalen
En stijgen op- en nederwaart.
Zij komen af met zegeningen
En hulpbewijzen van hun Heer,
En keeren tot zijn zetel weer
Met bede en dank van stervelingen.

Gezegend wie die ladder ziet!
Al jaagt hem een verbolgen broeder,
Daar hij zijns vaders huis ontvliedt,
Van ’t hart gescheurd der teerste moeder
Al is zijn voorland een woestijn,
In eenzaamheid en doodsgevaren;
Al moet een steen zijn peluw zijn,
En wicht van schuld zijn ziel bezwaren.

„Daar is een God, die zich ontfermt,”
Zeg hem zijn hart van ZIJNENT-WEGE;
Hij voelt zich veilig en beschermd,
En treedt de donkre toekomst tegen.
Zijn weg loope over berg en dal,
Door diepten, engten, Jabboksbeken:
Hem zal geen moed of kracht ontbreken;
De ladder Gods staat overal.


Ingezonden op: 19 July 2001