HIJ LEEFT NIET, DIE NIET LEEFT MET GOD.

Hij leeft niet, die niet leeft met God;
Hij draagt zijn lot;
Hij doet zijn werk; hij spilt zijn krachten;
Half smaakt hij t hem gegund genot,
En dubbel t leed,
Daar hij niet weet,
Hoe hij t moet duiden of verzachten.
Hij ziet wat hem onmisbaarst scheen,
Wat liefst en dierst was boven allen,
Wreedaardig aan zijn zijde ontvallen,
En blijft van lieverlede alleen.

VERWEESDE! Heet dit leven? Neen.
Gij leeft niet, maar gij sterft daarheen.


Ingezonden op: 19 July 2001