MIJNEN KINDEREN TE BATAVIA.

Voert golven, wind,  en stroom! eens Vaders groet,
Uit Noordschen mist naar Oosterzonnegloed
Op t koopren feest, mijn kindren te gemoet,
En doet hen weten
Dat in mijn borst nog klopt hetzelfde hart
Meelevende in hetgeen verheugt of smart,
Oud hart, dat nog wel menig jonger tart
In t niet vergeten.

Mijn jaren klimmen en mijn leeftijd slijt.
Toch spoort mij de oude lust tot de oude vlijt;
Veel spaart mij God, waaraan zoo menig lijdt
En weg moet kwijnen;
Geen zegen faalt; geen aardsch, geen hemelsch goed;
De lieve jongen, dien gij missen moet,
Maakt mij des levens avond dubbel zoet,
Met al de mijnen.

Maar gij zijt ver, en blijft het. Wederzien,
Voor u en l1lij, rust op een zwak. Misschien!
Wat nood? indien de Algoede, wien ik dien,
Slechts u blijft sparen;
Blijft sparen en bewaren bij t genot
Van t heilig zoet van uw vereenigd lot,
Tot ge ook uw kind, als gij gespaard door God,
Met dank in t hart in t open oog moogt staren.

Maart 1889.

Ingezonden op: 19 July 2001