OPVOEDING.

I.

Een jong paard rijdt men best, naar mijn verstand,
Met lossen teugel, in een vaste hand,
Legg’ soms de kuiten aan, maar schaars de sporen,
En kijke rechts noch links, maar tusschen de ooren.

II.

Die kindren groot brengt doet veel kwaad
Met NIETS te geven, dan wat baat,
En VEEL te onthouden, dat niet schaadt.
In beiden hangt het aan de maat.


Ingezonden op: 19 July 2001