SINEESCHE WIJSHEID.

I.

In d’ omgang met voorname mannen,
Hoe zacht, hoe vriendlijk uw gelaat!
Hoe ver blijft van uw ziel gebannen
Al wat onteert, al wat misstaat.
Houd ook in ’t eenzaam, stil vertrek,
Uw ziel zoo rein en zonder vlek!

Zeg niet „’k word door geen mensch vernomen;
„Dees plaats is heimlijk”. — Wacht u zeer
En vrees. De geesten kunnen komen
En niemand weet vooraf wanneer.,
Weet altijd, waar gij gaat of staat,
Als of hun oog u gadeslaat.

II.

Eerbiedig heb ik mijne schreden
Naar ’t effen pad des plichts gewend;
Des Hemels wil is mij bekend;
Maar zwaar, van d’ aanvang tot het end
Zijn gunst te hechten aan mijn treden.

Laat ik niet zeggen bij mij zelven:
„ De Hemel is zoo ver en hoog;
„Hij heeft voor ’s menschen doen geen oog!”
Want uit die hooge stargewelven,
Steeds om ons wentlende in hun kring
Beschouwt bij ieder sterveling,,
En velt een vonnis Zijner waardig
Op wat niet trouw is, niet rechtvaardig.

III.

Hoe groot is God, de rechter onzer daden.
Ontzaglijk, met verschrikkingen bekleed,
Schijnt ons zijn doen een strakheid te verraden,
Waarvan de zielontzet terugge treedt.
Maar de aard, den mensch door ’s Hemels wil gegeven,
Staat van ’t begin bloot aan verandering;
Elk hart is goed en trouw in ’t kinderleven,
Maar tijd en lot verkeert den sterveling.

SJI.

IV.

[Berouw is de Oogst der dwaze vreugden,]
Berouw, de Lente van de deugden.


Ingezonden op: 19 July 2001