SPREUKEN XIV: 10.

Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.

Ook die het best u kent en t innigst lieft, weet nooit,
Nooit meer dan half, waarom
Die zucht u uit den boezem klom,
Die traandrup in uw oogen glom,
Uw mond dien glimlach plooit.

Ontleend.

Ingezonden op: 19 July 2001