TERINGLIJDERS.

Bladzijde uit het Dagboek van een Geneesheer.

Ik ging mijn teringzieken rond.
De een liet het hoofd met lokken lang en blond
Mistroostig op de peluw zakken;
De Moedermond gaf antwoord op mijn vraag;
„Het was nog al een goede dag vandaag.”
Maar in het oog van ’t Kind begon een traan te blinken.
„ Wat zegt de zieke zelve?” vroeg ik zacht.
En zij: „ „Het was wel beter dan vannacht.” ”
„O beter, heel wat beter!” sprak de Moeder;
„Als nu maar eerst die koorts verwonnen was,
„Dat nachtzweet ophield, en die wond genas”…
Zoo had zij ook gesproken van den broeder,
Sinds lang reeds rustende onder ’t kerkhofgras.

De tweede, een Jonkman. Op; geheel gekleed — ten teeken
Van beterschap! — Een vuurblos op de wang;
Met afgewenden blik, onrustig, wreevlig; bang
Dat ik hetgeen hem bang maakte uit zou spreken.
„Heel wel; wat huivrig soms; maar weinig van belang.”
„ „Uw pols!” ” De maagre hand werd geemlijk toegestoken.
„ „Opgeven?” ” „Iets; bij ’t pas ontwaken; maar niet veel.”
„ „Nog wel eens rood?” ” „Soms wel, maar enkel uit de keel.” ”
„ „Geen pijn dus op de borst?” ” — Het antwoord werd ontdoken.
De vuurblos kwam weer op, en week niet meer geheel.
„Het was vervelend; want hoe kan een mensch genezen,
„Die geen beweging, die geen lucht heeft; tot zijn straf
„Moet blijven daar hij is, en niets kan doen dan — lezen?
„Als ook de goede God maar eens goed weder gaf,
„Hij ging weer uit, en werd de man wel van voordezen!”…
Daar brak de hoestbui door en de arme grootspraak af.

De derde — een jonge Vrouw. Zij wist wel wat haar deerde,
Maar noemde ’t niet om man en kindren. „’t Was zoo hard
„Voor hem, wien (zag zij ’t niet?) geheime vrees verteerde;
„Die alles kocht en zocht wat ze al of niet begeerde,
„Wien niets te veel zou zijn, als zij maar beter werd!
„Het Zuiden! Ach, hij kwam haar dag op dag betoogen:
„Het kostte wat het kostte, dáár was baat!…
„Maar dan de kindren? Die te missen zou meer kwaad
„Dan ’t andre goed doen. En” — zij pinkte een traan uit de oogen .
„En, dokter, is het niet te laat?”

1887.