WIJ BRENGEN ONZE JAREN DOOR ALS EEN GEDACHTE.

Ps. XC. 9b.

„Wij brengen onze jaren,
Als een gedachte door —”
Och of ’t een goede ware en
Wij in het rechte spoor:
Hoe maklijk viel dan ’t scheiden
Van dit ons kort bestaan!
Hoe zou ze ons voorbereiden
Om ’t eeuwige in te gaan!

Maar goed uit kwaad te maken.
Te beetren, nimmer moe,
Wat we in onszelven wraken —
Daar hoeft wat levens toe!
Ook dan, als God almachtig
Een nieuw beginsel gaf.
— Mijn ziel! wees des indachtig! —
Is nog de taak niet af.

Mijn denken, mijn gevoelen,
De stemming mijns gemoeds,
Mijn wenschen en bedoelen
Moet daaglijks op den toets.
Den wortel na te delven
Van wat er spruit en bot.
Trouw om~aan met mijzelven
En een alwetend God:

Daarvoor zijn mij gegeven,
Verlengd tot op dit uur,
De jaren van mijn leven,
Met al bun zoet en zuur.
Hoe heb ik mij gekweten?
Hoe dees mijn taak volbracht?
O God! te vaak vergeten
Wat steeds moest zijn bedacht.


Ingezonden op: 19 July 2001