DE ZWALUW.

„Maart roert zijn staart;” ’t blijft koud; bevroren nachten;
Des daags een oostenwind, die in de wangen snijdt:
Toch zal de zwaluw, die wij wachten,
Weer komen op haar tijd.
Wat de Almacht in haar heeft gelegd,
Volgt ZIJ gehoorzaam op — WIJ dikwijls slecht.

Maart 1891.

Ingezonden op: 19 July 2001