DE ZWARTE TIJD.

AAN * * *

Denk nooit aan hem, die steeds aan u zal denken
Herinner u geen woord zelfs uit zijn mond. ,
O zeker, t zou de zaalge zielsrust krenken, ,
Zoo gij nog nu der liefde teedre wenken,
(Helaas te laat! waarom niet eer?) verstondt.
Indien gij thans u alles bracht te binnen,
Wat k in den schroom der eerste liefde sprak
Voor nog uw hand dien zachten band verbrak:
En mij verbood u meer te durven minnen,
En tevens zaagt, hoe thans uw blik op mij
Mijn wang niet kleurt, maar huivren doet en bleeken
Hoe droef de lach is van mijn lip geweken,
Hoe k. als versteend terneerzit aan uw zij,
Niet zwijgen kan, en God! niet weet te spreken,
En met wat zorg ik u te ontmoeten schuw,
Wat nooit u blijken mocht, Melieve! bleek u nu.

Verhoede t God! gij moogt het nimmer weten!
t Bewustzijn blijve uw teeder hart gespaard
Dat, wreed geboeid in zelfgesmede keten, ,
Om uwentwil n boezem lijdt op aard.
O zoo gij t wist, en zaagt de hartzeerteekenen
Op dit gelaat, dat van uw opslag beeft,
Gij zoudt uw heil te duur gewoekerd rekenen
En wanen, dat gij minnende misdreeft; ,
Uw minnaar zou een traan in t oog zien druppelen
Van bittrer vocht, dan minneweelde schreit,
Uw hart, verdeeld door liefde en treurigheid,
Zou niet meer slechts van rein genoegen huppelen
Dat moet niet zijn... Dat mag niet wezen! Neen!
De liefde moet u stoorloos zalig maken;
Gij moet haar zoet, en ongetemperd, smaken;
Haar rozenkroon zij de uwe en mij, haar doorn alleen.

Gij ziet dat ik nu al mooi martelaar was. Ik begon mijzelven dan ook recht belangwekkend, recht potisch voor te komen. Maar hoeveel erger werd het, toen ik den vertrouweling mijner rampen kreeg, waarvan ik u vroeger sprak! Dat was nu geen denkbeeldige, maar een wezenlijk bestaande vriend, die dezelfde neigingen en behoeften had als ik; in n woord, die ook in dien Zwarten Tijd verkeerde. Nu begon de dichterlijke beschouwing van ons ziekelijk gevoel eerst recht hare diepte te krijgen; het was, zoo als gij het in een uwer Gedichten wel hebt uitgedrukt:

die smart is potisch, is edel, is schoon,
En ook distlen versieren, gevlochten ten kroon.

Nu vriend, wij droegen een distelkroontje, zoo stekelig als iemand. Zie hier een vers aan den vertrouweling, in de uren des nachts geschreven:


Ingezonden op: 19 July 2001