DE ZWARTE TIJD.

AAN EEN DICHTER.

Voor u niet, voor mij niet, voor niemand, wiens hart
Iets hoogers durft eischen dan wereldsche vreugd, .
Iets wreeders kan lijden dan wereldsche smart,
Bestaan de genoegens, de weelden der jeugd.
Gelukkig, wiens boezem de zucht nooit geblaakt,
De drift nooit beheerscht heeft, wier ofters wij zijn,
Den gloed, die de wangen ons bleek heeft gemaakt,
Niet kent, noch uw noodlot kan gissen of ’t mijn!
Want hem streelt een zeepbel van ijdel genot,
Een dwaasheid, een niet, dat uw hoogmoed veracht,
Hij kent een geluk, waar mijn deernis mee spot;
Onze Ernst keert zich af, waar hij afgunst verwacht,
En licht valt hem ’t leed, dat hem ’t leven bereidt;
Hij draagt en vergeet het, en hoopt weer en lacht,
Ras droogt hij de tranen, in droefheid geschreid
En spoedig vervangt weer de juichkreet zijn klacht.

„Juist zoo als het behoort, zou men zeggen! Neen; luister!

Maar ons… O wij koestren, wij minnen de smart,
Ons, ons is zij dierbaar aan ’t dichterlijk hart;
Wij lieven haar meer dan genoegen en lust,
Wij offren haar willig de kalmte der rust;
Zij sloope en vertere ons: ons hart kleeft haar aan,
Voor hem, wien de vreugde der wereld mishaagt,
De dwaasheên veracht, waar zij glorie op draagt,
Is weemoed iets zoets en iets zaligs de traan;
Iets zoets en iets zaligs te lijden; een leed,
Te kennen, waar de aarde geen oorzaak van weet
Een leed, waarvan de indruk verflauwt noch verkoelt
Een leed, waar het leven bij kwijnt en vergaat,
Maar waar ’t harte te sneller, te hooger door slaat,
Waar de ziel zich verheven en groot in gevoelt!

Voor u en voor mij is die zalige smart; —
Maar waar is zij, die hoogere vreugd, die ons hart
Zich gehoopt, zich voorspeld, zich beloofd had — misschien
In poëtischen droom reeds nabij had gezien? —
Waar toeft zij, die wereld van liefde en qevoel,
Die een hemel zou zijn voor ons teeder gemoed?
Ach, hoe droef heeft ons hart voor dien waanzin geboet;
Is de wereld niet arm, zijn de menschen niet koel?
Voor den sombren, den stillen, den mijmrenden Bard,
Heeft de wereld geen troost, hebben menschen geen hart.”

„De aanhef;” zeide ik, .gelijkt op dien van DA.COSTA’s

Noch voor u, noch voor mij is deze aarde gemaakt
Noch de droom van haar laffe vermaken.”,

Misschien was .~e aanhef een opgevangen toon,” antwoordd., STARTER; „maar bij DA.COSTA. spreekt eene religieuse verontwaardging, bij mij eene sentimenteele. Zie hier het onderscheid tusschen waarachtig en valsch gevoel: beide klagen; maar het eerste stelt voor datgene waar het over klaagt, iets beters in de plaats:

Onze vleugels gerept! onze boeien geslaakt!
Om een hooger aanschouwing te smaken!

.Ziet gij, het. gezonde gevoel heeft vleugels! het ziekillijke blijf~ op den grond hggen.

Vliegen we uit naar de Hoop, die de Toekomst omkleedt,

legt DA.COSTA. Ziedaar een denkbeeld, dat de sentimenteele dweper zich verbiedt. Hij. wil in den lauwen dommel der smart blijven, waarvan hij in zijne oogen al zijn waarde ontleent. Foei; ondersteld dat ál zijn leed werkelijk bestond, is het dan menschelijk, is het mannelijk (om niet te vragen of het dankbaar of het christelijk is) verzen te schrijven als deze?


Ingezonden op: 19 July 2001